(PDF) Project historische dorpskernen. Kader en methode voor de inventarisatie van de historische dorpskernen
About
Press
Papers
We're Hiring!
Outline
Title
Theoretisch Kader en Methode
Databank
References
All Topics
Art
Project historische dorpskernen. Kader en methode voor de inventarisatie van de historische dorpskernen
Koen De Groote
Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed
visibility
description
84 pages
Sign up for access to the world's latest research
check
Get notified about relevant papers
check
Save papers to use in your research
check
Join the discussion with peers
check
Track your impact
Related papers
Archeologisch onderzoek Dendermonde-site Mariatroon Brusselsestraat/Zuidlaan 9200 Dendermonde
Edith Goudie Falckenbach
2012
Zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van Antea Group mag geen enkel onderdeel of uittreksel uit deze tekst worden weergegeven of in een elektronische databank worden gevoegd, noch gefotokopieerd of op een andere manier vermenigvuldigd.
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Onbekend erfgoed in het buitengebied en de voorsteden
Dirk Jan de Vries
Bulletin KNOB, 2003
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Bachte-Maria-Leerne - Meirebeekstraat. Archeologisch vooronderzoek - november 2014
Adelheid De Logi
2014
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Driekruisenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005
Geert R D A C Vynckier
Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, 2005
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Villa Sint Gertrudis te Landen (gem. Landen) Studieopdracht naar een archeologische evaluatie en waardering
Ellen Van de Velde
2012
Rapport sur les fouilles archéologiques faites dans les environs de Landen: Bulletin de l'Institute d'Archéologie Liégeois.
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Montenaken, Hannuitstraat (gemeente Gingelom). Een landschappelijk bodemonderzoek en archeologische prospectie met ingreep in de bodem
Gijs Groot
2017
Een landschappelijk bodemonderzoek en archeologische prospectie met ingreep in de bodem Vlaams Erfgoed Centrum bvba Auteurs: B. Belis, J. Huizer en I. Van Kerkhoven In opdracht van: gemeente Gingelom Foto's en tekeningen: Vlaams Erfgoed Centrum, tenzij anders vermeld © Vlaams Erfgoed Centrum bvba, Sint-Michiels, Brugge, mei 2017 Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of welke wijze dan ook zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van Vlaams Erfgoed Centrum bvba. Vlaams Erfgoed Centrum bvba aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Download free PDF
View PDF
chevron_right
NIRAS-terrein, Gravenstraat, gemeenten Mol en Dessel (B). Een bureauonderzoek en prospectie zonder ingreep in de bodem in de vorm van een verkennend en waarderend booronderzoek
Gijs Groot
2013
Colofon ADC Rapport 3170 NIRAS-terrein, Gravenstraat, gemeenten Mol en Dessel (B) Een Bureauonderzoek en Prospectie zonder ingreep in de bodem in de vorm van een verkennend en waarderend booronderzoek Auteur: J. Huizer In opdracht van: NIRAS (Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen) ©ADC Archeo Projecten, Amersfoort, 10 januari 2013 Foto's en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Onderzoeksbalans archeologie in vlaanderen, versie 1, 13/04/2011: neolithicum: vroege landbouwers
Pierre Vermeersch
Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed
In 2008 lanceerde het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) -één van de voorlopers van het huidige agentschap Onroerend Erfgoed -de website 'Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed' voor archeologisch, landschappelijk en bouwkundig erfgoed. De onderzoeksbalans is het resultaat van overleg en nauwe samenwerking met specialisten uit de onroerenderfgoedsector. Dit instrument dient als vertrekpunt voor onderzoek tot 2007/2008. Sindsdien is de webtechnologie geëvolueerd en wordt de software van de onderzoeksbalans niet meer ondersteund waardoor we ons genoodzaakt zien deze van het web te halen, ten laatste tegen eind 2020. Om de stand van zaken anno 2008 te behouden, vormt het agentschap de hoofdstukken van de onderzoeksbalanswebsite om tot digitale rapporten die we publiceren via OAR, het open archief van OE-publicaties. Onderstaande chronologische en thematische hoofdstukken worden apart ontsloten: 1. Paleolithicum 2. Mesolithicum 3. Neolithicum -Vroege landbouwers 4. Bronstijd/IJzertijd 5. Romeinse tijd 6. Vroege en Volle Middeleeuwen 7. Late Middeleeuwen en Moderne Tijden 8. Maritieme archeologie 9. Natuurwetenschappelijk Onderzoek 10. Dateringsonderzoek 11. Conservatie 12. Methoden en Technieken Deze rapporten zijn inhoudelijk identieke versies van de hoofdstukken zoals ze ontsloten waren op de website van de Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed. Voor de discipline archeologie treffen we voorbereidingen richting een zogenaamde 'Onderzoeksbalans 2.0'. We integreren die in de inventaris onroerend erfgoed. Daar is een module voorzien voor thematische teksten. Parallel met de Onderzoeksbalans ontwikkelde het VIOE de Bibliografie Onroerend Erfgoed: een online zoekmachine met bibliografische referenties over Onroerend Erfgoed in Vlaanderen. Die bibliografie is van onschatbare waarde voor het onderzoek naar Onroerend Erfgoed in Vlaanderen en zal voor eind 2020 beschikbaar gesteld worden via een andere toepassing.
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Historisch en archeologisch onderzoek van het Prinsenhof te Kuringen (gem. Hasselt). Interimverslag 1986
Rica Annaert
Archaeologia Belgica
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Peeter Baltens het grafisch werk 3D-scanning als onderzoeksmethode van de koperplaten van de genealogie van de graven van Vlaanderen
Lode I J Goukens
2016
steeds behulpzame medewerkers van het Rubenianum met de onschatbaar waardevolle mapjes per kunstenaar zijn een privilegie voor elke student kunstwetenschappen. Betreft de 'bron' Karel Van Mander wens ik ook Hessel Miedema te bedanken voor zijn e-mail-correspondentie. Tevens wens ik Hewlett-Packard en in het bijzonder Herbert Wormgoor en Mickel Van den Bussche te bedanken voor het ter beschikking stellen van de HP Sprout 3D scanner voor het onderzoek van de 163 koperplaten van Peeter Baltens en de verschillende staten aanwezig in het Prentenkabinet van Antwerpen. Tine Meganck, KMSKB, fungeerde vaak als klankbord en ook Katrien Lichtert stimuleerde ten zeerste in de keuze voor Peeter Baltens als onderwerp. Hun beider publicaties vormen ook een voorbeeld voor mijn werk. Ook collectiebeheerders van het Harry Ransom Center aan de universiteit van Texas, Peter Mears end Chelsea Weathers, mogen niet onvermeld blijven voor het scannen en doorsturen van hun prenten. Peter Huestis, Division of Imaging and Visual Services van de National Gallery of Art te Washington, nam de moeite ook scans te sturen en stuurde per post ongevraagd zwart-wit foto's van hun collectie medailles van Peeters Baltens vriend Jacques Jongelinck. Patricia Hartring van het Getty Research Institute en betrokken bij ULAN verbeterde op mijn vraag de fiche over Peeter Baltens. Ook de medewerkers van het Prentenkabinet van het Rijksmuseum pasten gewillig enkele onduidelijkheden aan op hun website. Ook wens ik Koenraed Jonckheere, met wie ik tijdens de koffie op een symposium aan de UGent van gedachten wisselde over enkele aspecten van het onderzoek, te bedanken voor zijn zeer scherpzinnige opmerkingen. Tot slot mag ik zeker niet vergeten Maximiliaan Martens te bedanken als promotor en inspiratiebron. vii Afbeelding 2 3D-Tijdlijn rond Peeter Baltens (komt later online) Afbeelding 4 drukplaat in de collectie van het Cleveland Museum of Art Afbeelding 5 Sorghelos Leven Afbeelding 6 het aantal keer dat Peeter Baltens voorkomt in het Schilder-Boeck Afbeelding 7 een vreemde signatuur gereproduceerd door Wurzbach Afbeelding 8 De zoekopdrachten naar Bruegel en enkele vrienden van hem. Afbeelding 9 Corpus Engelse boeken op Google Books Afbeelding 10 Corpus Franse boeken in Google Books Afbeelding 11 Corpus Duitse boeken in Google Books Afbeelding 12 Corpus Spaanse boeken in Google Books Afbeelding 13 helaas nog met enkele onnauwkeurigheden Afbeelding 14: HP Sprout 3D-scanner Afbeelding 15 de technologie met Intel RealSense camera Afbeelding 16 alle componenten die tegelijk kleur en 3D-diepte registreren Afbeelding 17 structured light projector Afbeelding 19 schildersmossel in 3D Afbeelding 20 ander beeld van die schildermossel in 3D Afbeelding 21 nog een ander kijk op hetzelfde 3D-beeld Afbeelding 22 het bestuderen van het 3D-bestand in 3D-software Afbeelding 23 hetzelfde beeld zonder kleurenfoto en dus enkel 3D-structuur Afbeelding 24 Meshlab Afbeelding 25 3D scan van een boek uit de leeszaal van het Prentenkabinet waarbij duidelijk wordt dat de fusie van de beelden niet lukt Afbeelding 26: voorbeeld van een zeldzame koperen drukplaat (in dit geval over de moord op Willem van Oranje) (collectie auteur) Afbeelding 27 de records van de 163 catalogusingangen van het museum en de toegang tot de zoekmachine van de catalogus in een venster om onmiddellijk te kunnen verifiëren Afbeelding 28 de records betreft de kunstenaar Afbeelding 29 de records betreft de prent Afbeelding 30 de records betreft de literatuurstudie Afbeelding 31 3D scans 1 beeld Afbeelding 32 3D scan visueel Afbeelding 33 Snapshot 3D scan viii Afbeelding 34 Journaal van Christophe Plantin i.v.m. betalingen en levering boek van Dodoens. Afbeelding 35 Jupiter en Io aan de voet van een boom -Juno zwevend in de lucht door Peeter Baltens 570 x 415 mm KMSKB [inv. n° 12184] Afbeelding 36 Uit de reeks de wetten ontwerp Maerten De Vos,
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Onderzoeksrapport
Project historische dorpskernen.
Kader en methode voor de inventarisatie van
de historische dorpskernen in functie van de
afbakening van archeologische zones.
Agentschap
Onroerend
Erfgoed

COLOFON
TITEL
Project historische dorpskernen.
Kader en methode voor de inventarisatie van de historische dorpskernen
in functie van de afbakening van archeologische zones.

REEKS
Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed nr. 94

AUTEURS
Koen De Groote, Rica Annaert, Marc Dewilde & Geert Vynckier

JAAR VAN UITGAVE
2018

Een uitgave van agentschap Onroerend Erfgoed Wetenschappelijke
instelling van de Vlaamse Overheid, Beleidsdomein Omgeving
Published by the Flanders Heritage Agency Scientific Institution of the
Flemish Government, policy area Environment

VERANTWOORDELIJKE UITGEVER
Sonja Vanblaere

OMSLAGILLUSTRATIE
Uitsnede van de kaart van Villaret (1743-1745) in de omgeving van de
gemeenten Erpe-Mere en Vlierzele (O.-Vl.).

agentschap Onroerend Erfgoed
Havenlaan 88 bus 5
1000 Brussel
T +32 2 553 16 50
[email protected]
www.onroerenderfgoed.be

Dit werk is beschikbaar onder de Open Data Licentie Vlaanderen v. 1.2.
This work is licensed under the Free Open Data Licence Flanders v. 1.2.

Dit werk is beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding
4.0 Internationaal-licentie. Bezoek
de licentie.
This work is licensed under a Creative Commons Attribution
4.0 International License. To view a copy of this license, visit

ISSN 1371-4678

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 2 van 84 Project historische dorpskernen 2018

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

PROJECT
HISTORISCHE
DORPSKERNEN.
Kader en methode voor de inventarisatie
van de historische dorpskernen in functie
van de afbakening van archeologische
zones.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

KOEN DE GROOTE, RICA ANNAERT, MARC DEWILDE & GEERT VYNCKIER

Teksten

Koen De Groote
Rica Annaert
Marc Dewilde
Geert Vynckier

Werkgroep Project Historische Dorpskernen

Rica Annaert
Koen De Groote
Marc Dewilde
Jan Moens
Isabelle Jansen
Geert Vynckier

Stuurgroep Project Historische Dorpskernen

Marnix Pieters
Rica Annaert
Koen De Groote
Marc Dewilde
Jan Moens
Isabelle Jansen
Inge Verdurmen
Geert Vynckier

Opmaak rapport

Sylvia Mazereel

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 4 van 84 Project historische dorpskernen 2018

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING ............................................................................................................................... 6
2. PROBLEEMSTELLING ............................................................................................................... 6
3. THEORETISCH KADER EN METHODE....................................................................................... 9
3.1 INLEIDING .......................................................................................................................................... 9
3.2 DEFINITIE HISTORISCHE DORPSKERN ................................................................................................ 9
3.3 DATABANK....................................................................................................................................... 10
3.4 AANPAK ........................................................................................................................................... 14
3.5 AFWEGINGSCRITERIA ...................................................................................................................... 18
4. ENKELE VOORBEELDEN......................................................................................................... 20
4.1 INLEIDING ........................................................................................................................................ 20
4.2 ANTWERPEN .................................................................................................................................... 21
4.2.1 OUD-TURNHOUT ............................................................................................................................................... 21
4.2.2 WIJNEGEM ....................................................................................................................................................... 25
4.2.3 EDEGEM-BUIZEGEM ........................................................................................................................................... 29
4.2.4 GROBBENDONK-OUWEN..................................................................................................................................... 33
4.3 LIMBURG ......................................................................................................................................... 37
4.3.1 KAULILLE .......................................................................................................................................................... 37
4.3.2 LUMMEN ......................................................................................................................................................... 41
4.4 OOST-VLAANDEREN ........................................................................................................................ 43
4.4.1 BAASRODE ALS TYPEVOORBEELD VAN OEVERMARKTNEDERZETTINGEN .......................................................................... 43
4.4.1 ERONDEGEM .................................................................................................................................................... 47
4.4.3 LEMBERGE........................................................................................................................................................ 49
4.4.4 MERENDREE ..................................................................................................................................................... 52
4.4.5 KAPRIJKE .......................................................................................................................................................... 54
4.5 VLAAMS-BRABANT .......................................................................................................................... 58
4.5.1 SCHERPENHEUVEL .............................................................................................................................................. 58
4.5.2 OPVELP ........................................................................................................................................................... 62
4.6 WEST-VLAANDEREN ........................................................................................................................ 65
4.6.1 ETTELGEM ........................................................................................................................................................ 65
4.6.2 EGGEWAARTSKAPELLE ........................................................................................................................................ 67
4.6.3 WULVERINGEM-VINKEM ..................................................................................................................................... 69
4.6.4 SINT-BAAFS-VIJVE ............................................................................................................................................. 72

5. BESLUIT ................................................................................................................................. 75
6. BIBLIOGRAFIE ........................................................................................................................ 77

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 5 van 84

1. INLEIDING
Het project historische dorpskernen is in 2016 van start gegaan, zoals voorzien in de Beleidsbrief van
de Minister van 2015-2016, met als doelstelling het vaststellen van archeologische zones in de
dorpskernen1. De eerste fase van dit onderzoeksproject omvat enerzijds de uitbouw van een goede
theoretische basis om het begrip historische dorpskern te definiëren en anderzijds een volledige
inventarisatie van alle historische dorpskernen in Vlaanderen. Voor deze fase is uitgebreid gebruik
gemaakt van de studie ‘Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn.
‘gereduceerd kadaster’’, in opdracht van het toenmalig Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
en uitgevoerd door de VUB in 2009 en opgeleverd in 20102. Deze studie omvat onder meer een
uitgebreid theoretisch kader en een databank. Deze databank is in functie van dit onderzoeksproject
uitgebreid met een aantal velden om aldus te kunnen dienen als basis voor de wetenschappelijke
inventarisatie.

Dit onderzoeksrapport zal uit vier delen bestaan, die respectievelijk zullen handelen over de
probleemstelling, het theoretische kader en de methode, inclusief de problematieken in het kader van
de selectie en afbakening als vastgestelde Archeologische Zones, met aansluitend per provincie enkele
voorbeelden van historische dorpskernen, in totaal 17 uitgewerkte cases, om dit te illustreren. Een
kort besluit rondt het rapport af.

2. PROBLEEMSTELLING
Het onderzoeksrapport van de VUB bespreekt de problematieken rond de kennis over de genese van
de dorpen in Vlaanderen. Vanuit archeologisch oogpunt geldt nog steeds de vaststelling dat
dorpsarcheologie in Vlaanderen nog in grote mate afwezig is3. Met dorpsarcheologie wordt verstaan
een vorm van archeologisch onderzoek in de kernen van de historische dorpen met vraagstellingen en
resultaten die bijdragen tot de kennis van het ontstaan en de ontwikkeling van deze kleine
bewoningskernen in de middeleeuwen.

De oppervlaktes van bouwprojecten in de huidige dorpskernen zijn over het algemeen klein en
beperken zich meestal tot één of enkele bouwpercelen, waardoor ze buiten de radar van het beheer
vallen, zowel vroeger, voor en na het decreet van 1993 en de ratificering van het Europese verdrag van
La Valetta, als nu met de oppervlaktecriteria binnen het nieuwe decreet betreffende het onroerend
erfgoed van 12 juli 2013 en de daar uit voortvloeiende besluiten. Dit uit zich in de tegenstrijdigheid die
in de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) te bespeuren valt, waar de dorpskernen slecht
vertegenwoordigd zijn met archeologische kennis, maar des te meer met historische gegevens en de
aanwezigheid van bouwkundig erfgoed, vooral de parochiekerken. En ook al is er voor alle historische
dorpskernen, zoals de naam zegt, historische informatie voorhanden, deze is bijna steeds
ontoereikend om het ontstaan en de vroegste evolutie van een dorp te verklaren en aan te tonen.

1 Vlaams Parlement 511 (2015-2016) – Nr. 1, 16 oktober 2015 (2015-2016): Beleidsbrief Onroerend Erfgoed
2015-2016 ingediend door minister-president Geert Bourgeois, p. 30.
2 Tys et al. 2010.
3 Zie o.a. de onderzoeksbalans:

k/topics/nederzettingsonderzoek/

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 6 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 1: Overzichtskaart van de historische kernen in Vlaanderen, opgenomen in de VUB-databank en in GIS (paars:
gevectoriseerde steden, zwart: dorpen en gehuchten)

Hierdoor is er nauwelijks algemene kennis over de dynamiek van het ontstaan en de evolutie van de
dorpen in de vroege middeleeuwen en hun ontwikkeling tot de huidige historische kernen. De
vroegmiddeleeuwse rurale nederzettingen hebben een lange ontwikkeling doorgemaakt die
resulteerde in de huidige dorpen, waarvan dan ook verondersteld wordt dat er een langdurige
continuïteit in situ is geweest. Met andere woorden, het huidige dorp bevindt zich op de plaats van de
oorspronkelijke nederzettingskern in de vroege of volle middeleeuwen. Op basis van de aanwezigheid
van de kerk als centraal punt van het dorp, waarvan de oudste vermelding heel vaak teruggaat tot de
volle middeleeuwen en uitzonderlijk zelfs vroeger, kan deze continuïteit in situ verondersteld worden,
ook al is die zelden archeologisch bewezen. Eén van de kernvragen is dan ook of deze veronderstelde
continuïteit in situ wel reëel is, en of er niet voorbijgegaan wordt aan de dynamiek van nederzettingen
in de vroege middeleeuwen, zeker voorafgaand aan de oprichting van de kerk als het centrale punt.
Maar er zijn ook heel wat voorbeelden van de gedeeltelijke of volledige verplaatsing van
nederzettingen, inclusief de kerk, waarvan vooral in de Kempen vele voorbeelden zijn, zoals Wijnegem,
Schilde, Oud-Turnhout, Edegem-Buizegem, Grobbendonk-Ouwen, Hingene-Nattenhaasdonk of
Poppel-Hulsel. Dergelijke geheel of gedeeltelijk verdwenen of verplaatste nederzettingen hebben een
groot archeologisch potentieel, maar liggen ten dele buiten de scope van dit onderzoeksproject, dat
gericht is op de bestaande historische dorpskernen.

Een tweede kernvraag betreft de locatie van een dorp en zijn ligging in het landschap en welke relatie
er tussen beide is. Wat zijn de bepalende elementen hierin en in hoeverre worden die bepaald door
de regionale landschapskenmerken of door de periode waarin de nederzettingen zich tot dorp
ontwikkelden.

In Vlaanderen zijn er iets meer dan 5000 historische kernen opgenomen in de databank van het VUB-
project (zie verder), waaronder 58 steden, 1057 dorpen en meer dan 3900 gehuchten. De regionale
spreiding van al deze historische kernen varieert nogal per provincie (tabel 1; fig. 1). De steden buiten
beschouwing gelaten maar gehuchten en dorpen samen genomen zien we dat de grootste
concentratie zich situeert in de provincie Oost-Vlaanderen en de kleinste hoeveelheid in Limburg.
Oost-Vlaanderen kent met 289 dorpen ruim de grootste hoeveelheid alsook met 1590 gehuchten meer
dan het dubbele van het tweede grootste aantal dat geteld is in de provincie Antwerpen (739). Deze
provincie kent met 143 dorpen wel het laagste aantal, gevolgd door Limburg (191) terwijl deze
provincie wel het kleinste aantal gehuchten telt, namelijk 430. De provincies Vlaams-Brabant en West-
Vlaanderen zitten ergens tussenin met vergelijkbare hoeveelheden dorpen en gehuchten. De spreiding
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 7 van 84

over het Vlaamse landsgedeelte is duidelijk te zien op de overzichtskaart, waarbij de concentratie in
het zuiden van de provincie Oost-Vlaanderen zeer opvallend is (fig. 1-2).

dorpen gehuchten/kernen steden

Antwerpen 143 739 6
Limburg 191 430 14
Oost-Vlaanderen 289 1590 11
Vlaams-Brabant 202 561 9
West-Vlaanderen 232 598 18
totaal 1057 3918 58

Tabel 1: Historische kernen op basis van het 19de-eeuws kadaster.

1600

1400

1200

1000

800

600

400

200

ANTWERPEN LIMBURG OOST- VLAAMS-BRABANT WEST-
VLAANDEREN VLAANDEREN

dorpen gehuchten/kernen

Figuur 2: Spreiding per provincie van het aantal dorpskernen en gehuchten op basis van het 19de-eeuws kadaster.

Deze grote variatie in de aanwezigheid van dorpen, verspreid over een reeks regio’s met vaak heel
verschillende landschappelijke kenmerken, kan enkel door middel van een grondige inventarisatie
goed in kaart gebracht worden. Deze inventaris is het enige middel om tot een goed overzicht te komen
van wat al deze dorpen te betekenen hebben, welk archeologisch erfgoed ze te bieden hebben en hoe
ze in het archeologisch beleid en beheer kunnen opgenomen worden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 8 van 84 Project historische dorpskernen 2018

3. THEORETISCH KADER EN METHODE

3.1 INLEIDING
Voor het theoretische kader kon uitgebreid gebruik gemaakt worden van het VUB-rapport uit 2010 en
de daar vermelde literatuur, aangevuld met specifieke literatuur rond de problematiek van
dorpsarcheologie in de ons omringende landen4.

Dit hoofdstuk overloopt eerst heel kort de beschikbare theoretische literatuur om tot een typologie te
komen die toepasbaar is voor de inventarisatie van de historische dorpskernen en gehuchten in
Vlaanderen. Omdat gebruik gemaakt wordt van de bestaande databank die uitgebreid werd voor dit
project, vormt de classificatie, zoals die in de VUB-studie werd toegepast, de basis5. Daarna wordt
verder ingegaan op de concrete aanpak en wordt er afgesloten met een bondig overzicht van de
problematieken rond de selectie van dorpskernen als archeologische zones. Deze problematieken
zullen verder geduid worden in het daarop volgende hoofdstuk waarin per provincie enkele cases
besproken worden.

De databank van het VUB-project vormt de basis voor de opmaak van de wetenschappelijke inventaris,
aangevuld met extra velden om een aantal inhoudelijke elementen te kunnen toevoegen. Over de
problematieken van het classificeren van een historisch landschap wordt in de VUB-studie uitgebreid
ingegaan6. Het voornaamste probleem is dat een strikte typologische benadering van de morfologie
van landschap en bewoning te weinig rekening kan houden met de complexe historische realiteit die
vooraf gaat aan de vorming van nederzettingskernen. Een strikt typologische benadering van
nederzettingskernen is dan ook niet aangeraden, maar eerder een dynamische en variabele typologie.
Het biedt de mogelijkheid om met kwalitatieve variabelen te werken die belangrijk zijn om de variaties
in de formatieprocessen te kunnen afleiden. Om die reden is de databank in functie van dit
onderzoeksproject nog verder uitgebreid met een reeks variabelen die betrekking hebben op het
fysische landschap, de hydrografie en de bodem. De aanbeveling van de VUB-studie om ook andere
aspecten van de historische context op te nemen zoals de bezitsverhoudingen en de sociaal-
economische en institutionele inrichting van de kernen, kon wegens tijdsgebrek echter niet
meegenomen worden.

3.2 DEFINITIE HISTORISCHE DORPSKERN
Een sluitende definitie van het begrip historische dorpskern is heel moeilijk vanuit historisch
perspectief. Historische kernen omvatten een breed gamma aan nederzettingsvormen, gaande van
steden tot grote en kleine dorpen en gehuchten. Sommige daarvan zijn in de loop der eeuwen sterk
uitgegroeid, andere gekrompen, verplaatst of verdwenen. Daarom is het moeilijk dergelijke historische
woonkernen sluitend te definiëren, in te delen en af te bakenen. De ondergrens van een gehucht wordt
doorgaans gelegd op een cluster van 6 boerderijen, maar ook andere grenzen worden gehanteerd7.
Omdat wegens de grote verscheidenheid in de nederzettingsvormen een zekere flexibiliteit
noodzakelijk is, stelt het VUB-rapport voor om op een basisniveau een eenvoudige definiëring te
gebruiken waarin enkele criteria worden gecombineerd.

4 Tys et al. 2010.
5 Tys et al. 2010, 14-16.
6 Tys et al. 2010, 22-23 en de daar geciteerde literatuur.
7 Roberts 1996; Muir 1992; Muir 2004.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 9 van 84

De bron die bij het VUB-project gekozen is voor de bepaling van de vorm en omvang van de historische
kernen is het gereduceerde primitieve kadaster uit het midden van de 19de eeuw8. De belangrijkste
en meest doorslaggevende redenen voor deze keuze is zijn gelijkvormigheid, eenduidigheid en
cartografische precisie enerzijds en de quasi vlakdekkende beschikbaarheid op Vlaams niveau
anderzijds. Aldus kon een gebiedsdekkende GIS-laag van historische nederzettingskernen in
Vlaanderen worden opgesteld.

Een historische kern is een cluster van wooneenheden die in relatie staat met één of meerdere
gemeenschappelijke elementen. Ze bezitten een nederzettingsnaam en de kern wordt vermeld als
gehucht, dorp of stad in de administratieve documenten die bij de kaarten van het primitieve kadaster
hoorden. De aldus verkregen lijst van kernen is te controleren en aan te vullen met allerhande ander
historisch kaartenmateriaal, enerzijds de 18de-eeuwse Villaretkaart en de Kabinetskaart van Graaf de
Ferraris, en anderzijds 19de-eeuws cartografisch bronnenmateriaal zoals de topografische kaart van
Vandermaelen, de Atlas der Buurtwegen en de kadasterkaarten van Popp.

Omdat over de omvang van een cluster van wooneenheden in de literatuur uiteenlopende meningen
bestaan vanaf wanneer er over een kern gesproken mag worden, wordt daar geen uitspraak over
gedaan. Het hanteren van de aanwezigheid van een plaatsnaam als voorwaarde zorgt echter meestal
voor een duidelijk onderscheid tussen een rurale kern en losse rurale bewoning. Voor een verder
onderscheid tussen gehucht en dorp is de aanwezigheid van een kerk bepalend. Een dorp is een
historische kern met een kerk, een gehucht is een kern zonder kerk.

3.3 DATABANK
Zoals vermeld vormt de databank die het resultaat is van het VUB-project de basis van deze
inventarisatie. Elke fiche in de databank heeft een uniek ID (OBJECTID) per kern, of het nu een dorp of
een gehucht is. Op de hoofdfiche staan naast de naam van de kern ook de provincie, de
hoofdgemeente en de deelgemeente vermeld. Voor dit project werden 6 items toegevoegd:
archeoregio, beschermingstype, metaaldetectie, datering, gaafheid en CAI-id. In de subfiche
beschrijving zijn de gegevens van de kaartinfo opgenomen, naam van de kaart (in casu steeds het
gereduceerd kadaster van ca. 1850), naam van het kaartblad en de naam van de kern (toponiem). In
het blokje Morfologie wordt de typologie van de nederzetting opgenomen: omvang, vormtype,
vormtype 2, bebouwingsdichtheid, samenstelling en beschrijving. Ten slotte omvat de subfiche ook
nog de blokken Objecten en Toponymie. Bij Objecten zitten de vakken hoofdcategorie en subcategorie,
beide met gerelateerde dropdownlijsten, en de vakken naam en het toegevoegde vak
verplaatst/verdwenen. Het blokje Toponymie bevat de vakken toponiem, oudste vermelding,
‘basiswoord’ en ‘kenmerker’.

De structuur en de inhoud van de basisstructuur van de databank wordt uitgebreid behandeld in het
rapport van de VUB-studie9. De verschillende inhoudelijke velden en de gehanteerde classificatie
zullen hier bondig overlopen worden, met specifieke vermelding van de toegevoegde vakken en
termen in functie van dit onderzoeksproject.

De verschillende morfologische categorieën zijn Omvang, Vormtype, Samenstelling en
Bebouwingsdichtheid. De verschillende velden in deze categorie zijn grotendeels gebaseerd op het
werk van Roberts die de elementen vorm en bebouwingsdichtheid koppelt aan (on)regelmaat en de
aan- of afwezigheid van open ruimtes10 (fig. 3).

8 Tys et al. 2010, 8-11.
9 Tys et al. 2010, 24-42.
10 Roberts 1996.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 10 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 3: De classificaties van dorpskernen volgens Roberts 1996.

Bij Omvang gaat het hier specifiek over het onderscheid tussen dorp en gehucht:

-Gehucht: -cluster boerderijen met een eenvoudige morfologie;
-aanwezigheid van een plaatsnaam;
-geen eigen kerk.

-Dorp: -concentratie bewoning met nederzettingsnaam en parochiekerk, vooral bepaald door
omvang en de functie;
-functie wijst op de aanwezigheid in een dorp van bepaalde bepalende communale
plaatsen en monumenten, zoals de kerk, een heerlijk domein en een gemeenschappelijke
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 11 van 84

open ruimte (green of village common)11. Verhulst, Dyer en anderen stellen dat de grote
ontstaansgolf van dorpen gepaard ging met het oprichten van parochiekerken en de
opkomst van ‘open field’ landbouw, waardoor verspreide bebouwing samengetrokken
werd op en rond de gemeenschappelijke pleinen, zodat er genucleëerde dorpen
ontstonden12. Verder speelden ook de opeenvolgende fasen van de ontginningsbeweging
tussen de 11de en de 13de eeuw speelde een belangrijke rol13.
-In deze nieuwe landbouwdorpen konden kerken gesticht worden, tenzij ze al bestonden
en het aantrekkingspunt vormden waarrond dorpen zich konden ontwikkelen.
-Verhulst stelt eveneens dat het uitgangspunt van een dorp een geïsoleerde hoeve van
een grootgrondbezitter kon zijn, een hoeve waarnaast een eigenkerk werd opgericht die
in relatie stond tot de lokale elitebewoners van de hoeve of het hof in kwestie14.
-In economisch meer marginale streken als de Kempen zijn deze dorpen dikwijls veel
minder geconcentreerd, omdat er in deze streek in de middeleeuwen niet snel grote
ontginningen van grote open fields tot stand kwamen zoals in Vlaanderen. We hebben
hier dan ook te maken met oudere meer verspreide nederzettingspatronen, waarbij
kerken vaak na verloop van tijd geïsoleerd in het landbouwgebied kwamen te liggen (vb.
Oud-Turnhout). Uit archeologisch onderzoek blijkt meestal dat ze oorspronkelijk effectief
in of op de rand van de nederzetting stonden.

Bij Vormtype zijn twee velden aanwezig. Bij het veld Vormtype 1 zitten de hoofdcategorieën lineair of
agglomeratie. Bij de categorie agglomeratie kan dan verder een indeling gemaakt worden naargelang
het patroon dat zich het sterkst manifesteert (Vormtype 2).

• lineair
• agglomeratie: - cluster: onregelmatig;
o circulair: straalsgewijs vanuit kern;
o raster: loodrecht patroon;
o pleindorp: open ruimte;
o andere.

Bij het veld Bebouwingsdichtheid is er de keuze tussen nucleus, verspreid of gemengd (fig. 3). Een
nucleus heeft een duidelijke bewoningsconcentratie, de huizen staan dicht bij elkaar. Bij verspreid is
er weinig of geen verband tussen de bewoningselementen terwijl bij gemengd sprake is van enige
samenhang maar zonder duidelijk patroon. De bebouwingsdichtheid wordt bepaald door de afstanden
tussen de huizen en/of het al dan niet aan elkaar grenzen van de huispercelen.
De basisafstand tussen de elementen behorend tot het dorp en de randelementen wordt meestal
gelegd op 150 m maar deze ruimtelijke grens is niet bindend.

Het veld Samenstelling geeft keuze tussen enkele kern of meervoudige kern. Een enkele kern zit
meestal rondom de kerk of rond het driesplein, Bij een meervoudige kern zijn er veel combinaties
mogelijk: een combinatie van kerk en dries, van een dubbele dries, kasteel en kerk, site met walgracht
met kerk en dries, site met walgracht en kerk, enzovoort.

Het merendeel van de dorpen bestaat uit meerdere kernen of foci. De toponymische info onthult vaak
onderlinge relaties tussen kerndorpen en hun expansies die afhankelijk blijven van het hoofddorp. In

11 Roberts 1996; Muir 1992.
12 Verhulst 1964 en 1995a, Dyer 1989.
13 Verhulst 1964.
14 Verhulst 1964.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 12 van 84 Project historische dorpskernen 2018

deze gevallen wordt het onderscheid tussen de beide kernen vaak gemaakt door iets toe te voegen
aan het toponiem zoals oud/nieuw, hoog/laag, neder/opper, verwijzing naar de dries enzovoort. Van
zodra er sprake is van twee afzonderlijk toponiemen, is de nieuwe kern in de databank opgenomen als
een apart gehucht of dorp.

De polyfocale of samengestelde dorpen zijn herkenbaar aan de elementen die de vroegere
componenten uitmaakten (kerk, dries) of door hiaten in het stratenpatroon. In de databank is bij het
veld meervoudige kern een tekstvak voorzien om bijkomende informatie te geven omtrent de
verschillende foci.

Datering Beschermingstype Bewaringstoestand/ Metaaldetectie Archeoregio
gaafheid

Romeins M (monument) Onbepaald Ja Polders
vroege ME L (landschap) Slecht Neen Duinen
volle ME S (stads- en Matig Kempen
late ME dorpsgezicht) Goed Zandstreek
post ME A (archeologische site) Zeer goed Leemstreek
Zandleemstreek

CAI- id en URL die met CAI-online connecteert

Tabel 2: Toegevoegde velden voor het project historische dorpskernen.

Zoals reeds eerder vermeld, is in kader van dit onderzoeksproject de bestaande databank uitgebreid
met een aantal velden en items (tabel 2). De algemene gegevens op de hoofdfiche zijn aangevuld met
de velden Datering, Beschermingstype, Bewaringstoestand/gaafheid, Metaaldetectie, Archeoregio en
CAI-id. Het laat toe om query’s te maken op verschillende elementen als er moet geselecteerd worden.
De twee belangrijkste zijn datering en bewaringstoestand, die specifiek in het afwegingskader zullen
gebruikt worden. De bewaringstoestand behandelt de mate waarop de historische dorpskern is
aangetast door recente stedenbouwkundige ontwikkelingen, zowel in woningbouw als in ruimtelijke
ontwikkeling. Archeoregio is belangrijk om de landschappelijke spreiding en landschapsspecifieke
elementen te kunnen inzetten. Beschermingstype, Metaaldetectie en CAI-id maken het mogelijk om
bestaande erfgoedwaarden gemakkelijk op te sporen en mee te nemen in het inhoudelijke dossier.

Woningen Religieuze Verzorgings- Nijverheids- Militaire Openbare
gebouwen gebouwen gebouwen gebouwen en gebouwen
structuren
hoeve parochiekerk infirmerie watermolen citadel gevangenis
kasteel kapel godshuis windmolen fort kanselarij
site met walgracht kathedraal leprozerie steenbakkerij motte
paleis klooster- of pesthuis distilleerderij stadspoort
abdijkerk brouwerij walgracht
klooster of abdij kalkoven verdedigingswerk
kerkhof fabriek stadsmuur
begijnhof stadstoren
commercieel: schans
café (herberg) kazerne
burcht

Tabel 3: Bestaande velden voor gebouwtypes in de subfiche Objecten. De aanvullingen voor het project historische
dorpskernen staan in cursief.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 13 van 84

In de subfiche Beschrijving zijn er geen toevoegingen gebeurd bij de Morfologie maar wel bij de
Objecten. De dropdownlijsten van bestaande velden zijn aangevuld (tabel 3) en er zijn drie velden
toegevoegd die betrekking hebben op het landschap: Bodemgebruik, Reliëf en Hydrografie (tabel 4).
Deze toegevoegde velden zijn essentieel om de relatie te onderzoeken tussen de locatie van de dorpen
en hun natuurlijke omgeving.

Infrastructuur en Overige elementen Bodemgebruik Hydrografie Reliëf
verkeer

brug dries Akkers Bronnen Depressies
dam fontein Bossen Kunstmatige Donken
dijk kruis Groeven waterlopen Duinen
haven park Heide Meanders Flanken
kanaal schandpaal Moerassen Natuurlijke waterlopen Heuvels
kruispunt vijver Ruigten Vennen Laagvlakten
plein waterput Weilanden Plateaus
sluis Restheuvels/
spoor getuigenheuvels
veer Ruggen
weg Steilranden
Valleien

Tabel 4: Bestaande en toegevoegde velden in de subfiche Objecten, voorzien voor infrastructuur, overige elementen en
landschappelijke context. De aanvullingen voor het project historische dorpskernen staan in cursief.

3.4 AANPAK
De werkgroep is samengesteld uit onderzoekers van het agentschap en bestaat uit diverse
regiospecialisten. In een eerste stap wordt de bestaande databank van de historische kernen
gescreend op volledigheid wat betreft de dorpen. Gehuchten en stedelijke kernen komen niet aan bod.
Wel wordt er gekeken of sommige gehuchten niet als dorp moeten geklasseerd worden op basis van
de historische informatie. Deze stap kan meestal gebeuren zonder extra kaarten te moeten
raadplegen. De toponymische informatie wordt gescreend en aangevuld op basis van de publicatie ‘De
Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek’15 (zie verder). Hetzelfde wat betreft de
patroonheilige van de parochiekerken, waarvoor verschillende bronnen ter beschikking staan. Om
onnodig herhalend werk in dit kader te vermijden is er een overzichtslijst samengesteld van alle
patroonheiligen in Vlaamse kerken, met historische situering van de heilige en indien mogelijk de
historiek van de toepassing van de naam als patroonheilige (zie verder).

In een tweede stap worden alle overige velden ingevuld op basis van de screening van alle bestaande
gegevensbronnen. Via het Geoportaal worden alle beschikbare archeologische gegevens in de CAI
verzameld, net als alle overige onroerend erfgoed items (monument, landschap, dorpsgezicht). Daarna
wordt al het kaartmateriaal bekeken dat online beschikbaar is op Geopunt Vlaanderen, Geoportaal
Onroerend Erfgoed en eventueel Cartesius: alle historische kaarten (vooral de 18de-eeuwse kaarten
van Villaret, waar beschikbaar, en Ferraris en de 19de-eeuwse kadasterkaarten, maar ook kaarten uit
landboeken bijvoorbeeld), luchtfoto’s, de topografische kaart, de bodemkaart en het gewestplan.
Hiermee kunnen de objectvelden gecontroleerd en verder aangevuld worden en wordt ook informatie
verzameld over de gaafheid van de dorpen en de situatie op het gewestplan.

15 Debrabandere et al. 2010.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 14 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Inhoudelijk moeten er aanvullende gegevens gezocht worden die kunnen helpen om de morfogenese
van een dorp te ontrafelen. Zoals de structuur en de vele velden van de databank aangeven, gaat het
om gegevens uit vele onderzoeksgebieden. Vanuit de archeologische literatuur is er bruikbaar
kaderend onderzoek beschikbaar, vooral uit Engeland en Frankrijk16.

In Vlaanderen is er een historisch-topografische studie van Johan Termote over de dorpen in de Franse
en Vlaamse Westhoek17. Ook al behandelt het onderzoek slechts een deel van de provincie, het
methodologisch en interpretatief kader is ook interessant voor de rest van West-Vlaanderen en de
overige provincies. Termote onderscheidt:

• Het dorp met een verspreide bebouwing rond de kern.
• Het straatdorp (Fr: Le village en long of village rue), waarbij de bebouwing georganiseerd is op
een centrale straat. Een weg dwars of evenwijdig met een waterloop is de meest voorkomende
dispositie.
• Het kruisdorp met een kruis- of straalvormig stratenpatroon (Fr: Le village en étoile), waarvan
de kern en de bebouwing gelegen is op twee of meerdere kruisende wegen.
• Het pleindorp, waarvan een belangrijk deel van de bebouwing geconcentreerd is rond een
duidelijk aangelegd plein.

o Toponiemen

Bij de definitie van een dorp is de concentratie van bewoning met een nederzettingsnaam een eerste
belangrijk element. Vanuit de naamkunde is er heel wat informatie die uit de naam van een dorp kan
afgeleid worden. Door zijn sterke historische dimensie kunnen plaatsnamen bestudeerd worden voor
de nederzettings- en landschapsgeschiedenis die er in vervat zit. Het maakt ze tot een belangrijke bron
voor zowel het historische als het archeologische nederzettingsonderzoek18. In de VUB-studie wordt
uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden en de problematieken van de studie van de plaatsnamen,
waarop hier niet verder zal ingegaan worden19. Voor dit onderzoeksproject zijn voor elke kern zowel
de oudste schrijfwijze en vermelding genoteerd als de stam van het toponiem. Op een eerste niveau
wordt het toponiem chronologisch en inhoudelijk gesitueerd. Een deel van de plaatsnamen hebben
een bijvoorbeeld reeds een Gallo-Romeinse oorsprong, waarbij vooral het suffix -iacum kenmerkend
is. Gysseling onderscheidt onder meer Aartrijke, Klerken, Kortrijk en Wervik in West-Vlaanderen,
Denderwindeke, Kaprijke, Kemzeke, Moerzeke, Ooike, Scheldewindeke, Semmerzake, Temse, Velzeke
en Zulzeke in Oost-Vlaanderen, Gooik, Kortenaken, Kumtich, Lennik, Vissenaken en Zellik in Brabant,
Gellik, Jeuk, Kessenich en Montenaken in Limburg en Kontich en Wilrijk in Antwerpen. De eerste grote
nederzettingsgolf na de Romeinse periode speelde zich af in de Merovingische en Karolingische
periode. Dit laat zich heel sterk zien in de plaatsnamen van dorpen en gehuchten, waarvan traditioneel
een hele reeks aan deze nederzettingsgolf wordt gekoppeld. Zo bevatten veel plaatsnamen een
Germaans nederzettingstoponiem met een kenmerkend suffix zoals -haima/-haim (-hem: woning), -
ingahaim (-ingahem/-gem: woning van de lieden van) of -sali (-zele/-sele/-sel: huis)20. Bij een eerste
screening van de databank blijken minstens 295 kernen een suffix -haim of -ingahaim te hebben,
waarvan een 155 hedendaagse dorpen. De spreiding van dit toponiem is wel heel ongelijk, waarbij in

16 Gabre et al. 1996; Gauthiez et al. 2003; Gardiner 1997; Joly et al. 2014; Jones & Page 2006; Mahé-Hourlier & Poignant
2013; Muir 1992; Périn 2004; Zadora-Rio 2003.
17 Termote 2011.
18 Gysseling & Verhulst 1969.
19 Tys et al. 2010, 39-41.
20 Gysseling 1960; Gysseling & Verhulst 1969. Het suffix -sel kan ook afgeleid zijn van -lo, zoals bij Ossel of Rijsel, deze zijn er

uitgefilterd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 15 van 84

de noordelijke provincies Antwerpen (8 %) en Limburg (5 %) duidelijk een veel kleiner aantal aanwezig
is dan in de meer zuidelijke provincies Vlaams-Brabant (11 %), en vooral West- en Oost-Vlaanderen
(respectievelijk 20 % en 23 %). Er zijn ongeveer 54 kernen met het suffix -sali, waarvan 40 dorpen. Hier
is de spreiding over de provincies meer gelijk, schommelend tussen 2 % in Limburg en 5 % in Oost-
Vlaanderen. Als deze Germaanse nederzettingstoponiemen samen genomen worden dan is het heel
duidelijk dat de kern van hun aanwezigheid zich bevindt in de provincies Oost- en West-Vlaanderen,
met vooral concentraties in de vruchtbare leem- en zandleemgebieden. Oost-Vlaanderen spant hierbij
de kroon met in totaal 80 dorpen, vooral te vinden in het gebied tussen Schelde en Dender, alles samen
goed voor 28 % van de dorpsnamen. Daarnaast zijn er nog eens minstens 78 gehuchten met een
dergelijk toponiem in de provincie aanwezig. In West-Vlaanderen bevindt de concentratie zich ook in
het zuiden van de provincie, met in totaal 54 dorpen, goed voor 23 %. (tabel 5). Er dient wel steeds
rekening gehouden te worden met het feit dat deze lijst enkel geldt voor deze plaatsnaamtypes die op
basis van het 19de-eeuwse kadaster verbonden kunnen worden met een gehucht of dorp. De vele
Germaanse nederzettingstoponiemen die voorkomen zonder een directe link met een dergelijke
nederzettingsvorm zijn hier niet bij opgenomen.

aantal kernen op -haim
dorp gehucht totaal aantal dorpen % -haim

Antwerpen 12 10 22 143 8%
Limburg 9 9 18 191 5%
Oost-Vlaanderen 65 73 138 289 23%
Vlaams-Brabant 23 37 60 202 11%
West-Vlaanderen 46 11 57 232 20%
totaal Vlaams Gewest 155 140 295 1057 15%

aantal kernen op -sali
dorp gehucht totaal aantal dorpen % -sali
Antwerpen 6 4 10 143 4%
Limburg 4 2 6 191 2%
Oost-Vlaanderen 15 5 20 289 5%
Vlaams-Brabant 7 3 10 202 3%
West-Vlaanderen 8 0 8 232 3%
totaal Vlaams Gewest 40 14 54 1057 4%
Tabel 5: Overzicht per provincie van het aantal kernen met Germaanse nederzettingstoponiemen met suffix -(inga)haim en
-sali.

Deze manier, waarbij op basis van de naamgeving op ouderdom gefilterd wordt, is één van de
mogelijkheden voor het selecteren van dorpen die in aanmerking komen als archeologische zone
(AZ). Omdat het de belangrijkste periode is in het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van dorpen
waarover het minst geweten is, zowel historisch als puur archeologisch, zal dit een belangrijk
basiscriterium zijn.

o Parochie

Omdat een dorp gedefinieerd wordt als een concentratie van bewoning met nederzettingsnaam en
parochiekerk is de ontwikkeling van de parochie in de middeleeuwen een belangrijk onderzoekspunt.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 16 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Voor Brabant is er de historische studie van Verbesselt over het parochiewezen in Brabant tot het
einde van de 13de eeuw, waarin alle Brabantse gemeenten aan bod komen, verspreid over 27 delen21.
Voor een synthetische studie is er de publicatie van Carnier over de parochie in het graafschap
Vlaanderen in de volle middeleeuwen. Daarin definieert hij vier elementen die noodzakelijk zijn om
van een parochie te kunnen spreken22:
-een parochie beschikt over een eigen bidplaats, de parochiekerk, die zich door haar diensten
onderscheidt van een afhankelijke bidplaats (kapel). Aan de parochiekerk is bovendien een eigen
patrimonium verbonden;
-een parochie is een eigen vrij nauwkeurig afgelijnd territorium dat diende voor het innen van de
tienden;
-een parochie heeft vast kerkelijk personeel, de parochiepriesters, in principe door de bisschop
benoemd;
-iedere parochie bestaat uit een gemeenschap van gelovigen.
Voor de volle middeleeuwen is het moeilijk om dit na te gaan, laat staan voor de periode van de
ontstaansgeschiedenis van de parochie, wegens een gebrek aan voldoende historische bronnen. Deze
definitie gaat dus op voor de 13de eeuw, maar is te statisch om de lange evolutie ervoor te duiden.
Voor een identificatie als parochiekerk in de vroegste periode vertelt het recht tot dopen of begraven
iets over het statuut van de kerk, maar dit is wel niet sluitend. Daarnaast is er de aanwezigheid van de
tiende, wat verplicht werd onder de Karolingers. Een derde van deze taxatie was voor de bezitter van
het altare (het altaar, dus voor de geestelijkheid), de overige tweederde was het zogenaamde bodium
(het schip = de leken), meestal voor de dorpsheer. De christianisatie is in Vlaanderen pas in de late 8ste
eeuw voltooid en het parochiaal systeem is er niet voor de 9de eeuw. Uit de bronnen blijkt dat in de
tweede helft van de 11de eeuw het parochiale net bijna volledig aanwezig is. Bij onderzoek in het
bisdom Atrecht is vastgesteld dat in de 11de eeuw minstens 80 % van de parochiekerken reeds
bestond23.

o Patrocinium

Een ander belangrijk element is de naam van de patroonheilige van de parochiekerk24. Het patrocinium
geeft heel vaak een belangrijke aanwijzing over de ouderdom van het bedehuis, maar de interpretatie
ervan is niet altijd even evident en moet met de nodige voorzichtigheid gebeuren. Zo was bijvoorbeeld
Sint-Martinus, in 511 door Clovis uitgeroepen als schutspatroon van het Merovingische koningshuis,
heel populair bij de stichtingen van kerken door de Frankische adel en verwijst Sint-Pieter eerder naar
monastieke stichtingen uit de vroege middeleeuwen, maar beide liepen door elkaar en deze heiligen
werden ook later nog toegekend als patroonheilige. Andere heiligen worden pas vanaf een bepaalde
periode actief gebruikt, zoals Sint-Niklaas na 1087, wat een terminus post quem kan geven voor een
kerk met deze patroonheilige. In het kader van deze studie zijn alle patroonheiligen die in Vlaamse
parochiekerken zijn gebruikt, geïnventariseerd met vermelding van de datum van het heiligenleven en
de periode van gebruik indien gekend. Uit deze lijst van iets meer dan 1800 kerken zijn wel enkele
opvallende elementen af te leiden. Er is een beduidend grote hoeveelheid kerken toegewijd aan de
reeds vermelde Sint-Maarten (127) en Sint-Pieter (67), maar even opvallend is het grote aantal kerken
met vroegmiddeleeuwse heiligen die bisschop waren van Maastricht (142). Het gaat grotendeels om
enkele heel populaire heiligen zoals Sint-Amandus (58), Sint-Lambertus (46), Sint-Hubertus (16) en
Sint-Servatius (13). Soms gaat het echter ook om meer obscure heiligen waaraan vaak maar één of
enkele kerkjes gewijd zijn, zoals de 6de-eeuwse bisschop Sint-Domitianus (1) en de 7de-eeuwse Sint-

21 Verbesselt 1950-2001.
22 Carnier 1999, 6.
23 Carnier 1999, 16.
24 Berings 1986; Carnier 1999, 11.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 17 van 84

Theodardus (2) of de 6de-eeuwse bisschoppen Monulphus en Gondulphus (4), die echter pas in 1039
heilig zijn verklaard. Er zijn trouwens nog heel wat andere Merovingische en vroeg-Karolingische
heiligen die schutspatroon zijn van een Vlaamse dorpskerk. Aan de 7de-eeuwse Sint-Gertrudis, tweede
abdis van Nijvel en dochter van Pepijn van Landen, zijn 20 kerken gewijd. Bij heiligen van buitenlandse
oorsprong is de verspreiding soms vrij groot, zoals Sint-Willibrordus (19), een Angelsaksische
missionaris en bisschop van Utrecht, of eerder beperkt zoals de Franse heiligen Sint-Medardus (6),
Sint-Vedastus (6) en Sint-Brixius (4). Een uitzondering is Sint-Wandregesilus, de 7de-eeuwse stichter
van de abdij van Fontenelle, die enkel gekend is als patroon van de parochiekerk van Beerst. Bij deze
van lokale of regionale herkomst, op enkele uitzonderingen na zoals de populaire Sint-Bavo (24), zitten
vaak eerder obscure heiligen die meestal in een kleinere regio als patroonheilige voorkomen.
Voorbeelden daarvan zijn Sint-Aldegondis (Lemberge, Mespelare, Overboelare, Overwinden en
Zwevezele), Sint-Harlindis & Relindis (Ellikom en Ordingen), Sint-Renildis (Egenhoven), Sint-Ermelindis
(Meldert), Sint-Fredegandus (Deurne), Sint-Gaugericus/Gorik (Dworp, Haaltert, Kobbegem, Pamel en
Oudenhove), Sint-Gengulphus (Oosterzele, Paulatem, Ronsele en Sint-Truiden), Sint-Maurus (Elsegem,
Holsbeek en Zomergem-Beke) of Sint-Ursmarus (Baasrode, Deftinge, Nokere, Oetingen en Zegelsem).

o Landschap

De landschappelijke positie van een historische dorpskern is ook een belangrijk aandachtspunt in deze
studie. Wat is de relatie tussen bepaalde landschappelijke kenmerken en de positie van het dorp, welke
elementen zijn bepalend en is er een evolutie in te zien? Wat is de wederzijdse impact, namelijk hoe
bepaalt het landschap de inplanting van een dorp en hoe bepaalt het dorp vervolgens de evolutie van
het landschap door ontginning, inrichting, infrastructuur enzovoort? Het landschappelijke kader
verschilt sterk van regio tot regio, en het systematisch samenbrengen van alle bodemkundige,
hydrografische en topografische informatie zou op termijn moeten kunnen leiden tot de formulering
van een reeks landschapstypes met kenmerkende dorpsontwikkeling. Hierbij kan ook heel wat
toponymische info meegenomen worden om bepaalde dorpstypes te verklaren, onder meer door de
landschappelijke info die in hun naamgeving vervat zit, bijvoorbeeld over ontginning, ontbossing,
drooglegging, bedijking enzovoort. Door op deze manier bepaalde elementen verder te ontrafelen en
zo patronen te identificeren kan dit bijdragen tot een beter begrip van de dorpsgenese in bepaalde
regio’s. In het volgende hoofdstuk zal met een reeks voorbeelden getracht worden reeds enkele van
deze regionaal-landschappelijk bepalende elementen te benoemen en te omschrijven.

3.5 AFWEGINGSCRITERIA
De ruimtelijke ontwikkeling van historische dorpskernen verschilt sterk naargelang de ouderdom, de
ontstaansgeschiedenis, de latere ontwikkelingen, het landschap waarin het zich bevindt. Daarnaast
zijn ook algemene economische en politieke tendensen soms bepalend geweest voor de evolutie van
een dorp binnen een bepaalde regio of landschapstypes. De hierna volgende 17 cases geven daar
mooie voorbeelden van, meestal dankzij het gekende archeologisch erfgoed. Deze voorbeelden laten
de complexiteit zien van de ontwikkeling van dorpen en tonen aan dat het onmogelijk is om zomaar af
te bakenen op basis van de vorm van de dorpskern op het 19de-eeuwse kadaster of de laat-18de-
eeuwse situatie op het einde van het Ancien Régime, zoals afgebeeld op de kaarten van Ferraris.
Daarom is het noodzakelijk dat per historische dorpskern die als AZ wordt voorgesteld, een individueel
inhoudelijk dossier moet opgemaakt worden die de volledige wetenschappelijke onderbouwing voor
de voorgestelde afbakening bevat. Dit is echter een tijdrovend proces dat er zal voor zorgen dat slechts
stapsgewijs historische dorpskernen zullen kunnen voorgedragen worden om als AZ te worden
vastgesteld.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 18 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Daarom is naast een goed onderbouwde motivatie voor de afbakening van een dorpskern ook een
goed afwegingskader belangrijk, om de voorgedragen selecties te kunnen verantwoorden. Hiervoor
zullen verschillende elementen meegenomen worden. De drie voornaamste afwegingen zijn de
ouderdom, de bewaring en de bedreiging. De ouderdom, zoals ze kan afgeleid worden uit de
historische, archeologische en toponymische gegevens, houdt verband met de historische en
wetenschappelijke vraagstellingen rond de dorpsgenese. De bewaring is van belang om te kijken in
hoeverre recentere ruimtelijke ontwikkelingen een historische kern hebben aangetast en wat de
gevolgen zijn voor het archeologische patrimonium. Goed bewaard tot matig bewaarde kernen komen
in aanmerking terwijl slecht bewaarde, dus sterk aangetaste, kernen niet zullen meegenomen worden,
tenzij dat er een specifieke vraagstellig of reden kan zijn. Het derde hoofdcriterium heeft betrekking
op de bedreiging. Hoe staat de kern ingekleurd op het gewestplan en is een sterke aantasting van de
dorpskern te verwachten?

In tweede instantie kan er bij selectie gekeken worden naar een evenwicht in zowel het dorpstype
(morfologie van de dorpsvorm zoals opgenomen in de inventaris), het landschapstype waarin het zich
bevindt (zowel archeoregio’s als andere landschapsindelingen (rivieren, Kempen, polders, enz.)) als
de spreiding binnen de vijf Vlaamse provincies. Ten slotte kan ook de archeologische kennis, zowel
binnen een dorp als binnen hetzelfde dorpstype in het omliggende landschap, belangrijk zijn
om een afbakening goed te kunnen inschatten. Daarom zal ook deze info soms een
afwegingselement kunnen vormen bij de selectie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 19 van 84

4. ENKELE VOORBEELDEN

4.1 INLEIDING
Om de problematieken van enerzijds de archeologie in de dorpskernen en anderzijds van de
afbakening van historische kernen als archeologische zone te illustreren, zal in dit hoofdstuk per
provincie een aantal voorbeelden gegeven worden. Het gaat om de dorpen Oud-Turnhout, Wijnegem,
Edegem-Buizegem en Grobbendonk-Ouwen in de provincie Antwerpen; Kaulille en Lummen voor
Limburg; Baasrode, Erondegem, Lemberge, Merendree en Kaprijke voor Oost-Vlaanderen;
Scherpenheuvel en Opvelp voor Vlaams-Brabant en Ettelgem, Eggewaartskapelle, Wulveringem-
Vinkem en Sint-Baafs-Vijve voor West-Vlaanderen (fig. 4).

Deze zijn geselecteerd op basis van bestaande kennis en trachten een zo divers mogelijk beeld te geven
van zowel de soorten dorpskernen als de archeologische en afbakeningsproblematieken die ermee
samengaan. Het is belangrijk om voor ogen te houden dat het ad hoc gekozen voorbeelden zijn die
niet bedoeld zijn om een staalkaart te vormen of om alle mogelijke problematieken aan te snijden. Het
zijn cases die telkens slechts bepaalde aspecten behandelen. Ze dienen enkel als illustratie van de
mogelijkheden en de obstakels die zich aandienen bij het afbakenen van een kern als archeologische
zone (AZ).

Figuur 4: Kaart van Vlaanderen met de lokalisatie van de als voorbeeld besproken dorpskernen. 1: Oud-Turnhout;
2: Wijnegem; 3: Edegem-Buizegem; 4 Grobbendonk-Ouwen; 5: Kaulille; 6: Lummen; 7: Scherpenheuvel; 8: Baasrode;
9: Erondegem; 10: Lemberge; 11: Merendree; 12: Kaprijke; 13: Opvelp; 14: Ettelgem; 15: Eggewaartskapelle;
16: Wulveringem-Vinkem; 17: Sint-Baafs-Vijve.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 20 van 84 Project historische dorpskernen 2018

4.2 ANTWERPEN
4.2.1 Oud-Turnhout

Figuur 5: Oud-Turnhout op de basiskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van graaf de Ferraris (1771-1777), Staatsarchiv
Wien (http://mapire.eu/en/map/fms-habsburg-netherlands).

Oud-Turnhout is een Kempense gemeente in het noordoosten van de provincie Antwerpen, gesitueerd
ten oosten van de stad Turnhout. Topografisch gezien ligt Oud-Turnhout op een noordwestelijke
uitloper (24 m hoog) van de Kempense micro-cuesta. Deze uitlopende rug helt verder westelijk eerder
steil af naar de loop van de Aa die ongeveer 3m lager stroomt. De bodems binnen deze gemeente
bestaan uit pleistocene, matig droge zandgronden die afgedekt worden door een dikke antropogene
humus-A-horizont, beter bekend als plaggenbodem of esdek. Deze plaggenbodem is plaatselijk nog 75
tot 100 cm dik en is ontstaan door eeuwenlange plaggenbemesting vanaf het moment dat deze
gronden in de late middeleeuwen in cultuur werden gebracht. Historische bronnen vermelden de Sint-
Bavo-kerk vanaf 1333. Dat het patrocinium Sint-Bavo zou verwijzen naar bezit van de Gentse Sint-
Baafsabdij is moeilijk aan te tonen, evenmin dat Oud-Turnhout de oudere voorganger is van de stad
Turnhout. Toponymisch verwijst ‘oud’ eerder naar een locatie van een bos. Volgens Leenders zou de
parochie van Oud-Turnhout uiterlijk gesticht zijn in de 12de eeuw25.

Niets wijst dus op een mogelijk vroegmiddeleeuwse oorsprong van dit dorp. Enkel de ligging van de
Sint-Bavokerk ten opzichte van de dorpskern valt op: op de 18de-eeuwse kaarten ligt de kerk eenzaam
in de akkers, ca. 550 m ten noorden van de dorpskern met een driehoekig marktplein (fig. 5 en 6).

25 Leenders 1996, 308

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 21 van 84

Volgens de oudere theorieën ging men er van uit dat dergelijke geïsoleerde kerken met hun centrale
positie binnen het grondgebied van meerdere nabijgelegen dorpen en gehuchten, als parochiekerk
van al deze kernen functioneerde. Het Nederlandse Kempenproject26 toonde echter aan dat dergelijke
eenzame kerken in oorsprong meestal de primaire parochiekerken waren van vroeg- of
volmiddeleeuwse nederzettingen die zich in de late middeleeuwen verplaatsten naar een andere
locatie waar ze evolueerden tot de huidige, bestaande dorpskernen27. In het geval van Oud-Turnhout
bleef de oorspronkelijke kerk in gebruik maar verplaatste de bewoning zich zuidwaarts langs de baan
naar de door de hertog van Brabant gestichte stad Turnhout, aan de oversteekplaats op de Aa.

Figuur 6: Situering van de kerk en de jongere dorpskern op de Vandermaelenkaart (1846-1854).

Oud-Turnhout is een van de weinige gevallen in de Antwerpse Kempen waar dit ook werkelijk
archeologisch vastgesteld is. Van drie verschillende plaatsen zijn archeologische gegevens beschikbaar
(fig. 7): ten noorden (A) en ten zuiden van de kerk (B) en op het marktplein in de huidige dorpskern
(C)28.

In navolging van het Kempenproject vond in 1996 een archeologisch onderzoek plaats op de percelen
ten noorden van de kerk29. Op het hoogste deel van het terrein, dus nagenoeg over de kerk kwamen
drie bootvormige boerderijplattegronden aan het licht, die samen met enkele vierpalige bijgebouwtjes
en een hutkom tenminste twee erven vormden uit de volle middeleeuwen (fig. 8). Verspreid over het
terrein zijn ook aardewerkfragmenten uit de vroege middeleeuwen en uit de metaaltijden
geregistreerd, wat een aanwijzing geeft dat de occupatie hier terug gaat tot in de metaaltijden én de
vroege middeleeuwen.

26 Theuws 1989; Theuws 2011.
27 Zie ook Theuws 2018.
28 Arts 2000; Annaert 2000.
29 Annaert 2000, 69-77.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 22 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 8: Opgravingsplan met twee huisplattegronden uit
de volle middeleeuwen (©agentschap OE).

Figuur 7: Situering van de archeologische ingrepen op het
recent kadaster.

In 1998 bood zich de gelegenheid aan om twee percelen ten zuiden van de kerk te onderzoeken (fig.
7: B)30. De dikke plaggenbodem dekte hier een oudere akkerlaag af waarin nog tal van scherven
handgevormd aardewerk in ijzertijdtraditie aanwezig waren. Op één vierpalig gebouwtje na, waren
geen gebouwplattegronden waar te nemen. Het lijkt er dus op dat de vroeg- en volmiddeleeuwse
bewoning zich ten noorden van de kerk uitstrekte en dat de gronden ten zuiden van de kerk als akkers
in gebruik waren.

Een grondige heraanleg van het marktplein in de huidige dorpskern, maakte het in 1996 verder
mogelijk om daar een proefsleuf uit te graven (fig.7: C). Tot op grote diepte bleek de oppervlakte
verstoord maar de grote hoeveelheid puin en de uitgebroken muursporen wezen er evenwel op dat
deze zone ooit bebouwd moet geweest zijn, zoals de toestand op de Ferrariskaart weergeeft (fig. 5).
De oudste sporen en het oudste cultureel materiaal die tevoorschijn kwamen, dateerden tussen
de 13de en de 15de eeuw31. In 1981 en in 1997 werden ten oosten van het oud gemeentehuis,
gelegen aan de oostzijde van het marktplein, resp. vier en drie waterputten opgebouwd uit
heideplaggen ontdekt. Het vondstenmateriaal uit deze putten wijst op een gebruik in de 15de en
16de eeuw32.

30 Annaert 2000, 78.
31 Annaert 2000, 79-81.
32 Vandenberghe & Ashton-Vanherle 1982; Annaert & Verbeek 1998.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 23 van 84

Figuur 9: Kaart van Ferraris (1771-1778). De groene cirkel duidt de bewoning aan waar later het
marktplein zou aangelegd worden. De laatmiddeleeuwse waterputten bevinden zich op het perceel
ten zuidoosten ervan, aan de voerkant van de steenweg op Zevendonk.

De case Oud-Turnhout toont de problematiek van de verplaatste dorpskernen goed aan. In de jongere
bronnen ontbreekt elke aanwijzing voor de aanwezigheid van een vroeg- of zelfs volmiddeleeuwse
kern, evenmin als in de 19de-eeuwse kadasterplannen. De 20ste-en 21ste-eeuwse toestand is niet te
vergelijken met de 18de-eeuwse situatie: de oppervlakte tussen de geïsoleerde kerk en de dorpskern
is ongeveer volledig dicht gebouwd, zodat de uitzonderlijke positie van de parochiekerk ten opzichte
van de dorpskern nauwelijks nog opvalt (fig. 9). Historisch-geografisch onderzoek is dus van groot
belang voor het herkennen van oudere, verplaatste dorpskernen. Bovendien is het zonder prospectie
met ingreep in de bodem evenmin gemakkelijk om bewijs te leveren van een oudere kern rond de
kerk. Door de intensieve plaggenbemesting vanaf de late middeleeuwen zijn de oude sporen afgedekt
door een dik plaggendek zodat ze weliswaar beschermd zijn tegen hedendaagse ploegactiviteiten maar
daardoor ook verborgen blijven bij veldkartering.

Er is evenmin een vast patroon waar te nemen in de verplaatste nederzettingskernen33: niet overal
blijkt een kerk aanwezig in de oudste kern. Soms ontwikkelde zich een nieuwe kern met kerk in de
11de eeuw en wijzigde de structuur vanaf de 13de eeuw. Soms werd de vroegmiddeleeuwse kern
verlaten maar bleef de toen gestichte kerk wel in gebruik – zoals mogelijk in Oud-Turnhout –, soms
werd de vroegmiddeleeuwse kern alsook de eerste kerk verlaten en bouwde men een nieuwe kerk in
de nieuwe kern (zoals te Edegem-Buizegem, zie verder). Soms bleef de oude kerk nog een tijd lang in
gebruik en verdwijnt ze later in de geschiedenis (zoals te Wijnegem, zie verder). Soms verdwijnt ook
de hele nederzetting (zoals bijvoorbeeld Hulsel bij Poppel). Toponymisch onderzoek brengt nog vaak
dergelijke verdwenen dorpskernen aan het licht. De regio ten zuidwesten van Antwerpen kenmerkt

33 Theuws 1989, 180-188.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 24 van 84 Project historische dorpskernen 2018

zich door de aanwezigheid van honderden vroegmiddeleeuwse -haim of -ingahaim toponiemen
waarvan de meeste enkel gekend zijn via de historische geografie.

Figuur 10: Mogelijke afbakening van de historische dorpskern van Oud-Turnhout, gebaseerd op
zowel archeologische als historische bronnen.

Over de reden van de verplaatsingen zijn nog talrijke discussies aan de gang34. Enerzijds kunnen
verplaatsingen van nederzettingskernen ecologisch van aard zijn, anderzijds kunnen er ook socio-
politieke drijfveren geweest zijn. Anderen zien dan weer een economische oorzaak. Het is alvast
duidelijk dat het afbakenen van historische dorpskernen in de Antwerpse Kempen moeilijk blijft, zeker
zonder archeologische gegevens over oudere occupaties (fig. 10).

4.2.2 Wijnegem

Het dorp Wijnegem is gesitueerd ten oosten van de stad Antwerpen en is een van de vele historische
kernen in deze regio met een vroegmiddeleeuws nederzettingstoponiem dat bestaat uit een
persoonsnaam met het suffix -ingahaim. Topografisch gezien ligt Wijnegem op een langgerekte, oost-
west verlopende dekzandrug die zich uitstrekt tussen de alluviale valleien van de Kleine Schijn ten
noorden en de Grote Schijn ten zuiden. Bodemkundig is deze zone gekenmerkt door tertiaire droge
zandgronden, afgedekt door een diepe antropogene humus A-horizont, plaggenbodems dus.

In Wijnegem is al verregaand archeologisch onderzoek gebeurd. Ten noorden van de huidige
dorpskern, op het toponiem Steenakker, hebben de opgravingscampagnes van de Antwerpse

34 Theuws 1989, 184-188.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 25 van 84

Vereniging voor Romeinse Archeologie een langdurige occupatie vastgesteld die reikt van de
metaaltijden, de Romeinse periode tot de vroege en volle middeleeuwen (fig. 11 en fig. 13: A)35.

Figuur 11: Opgravingsplan Steenakker. Blauw: ijzertijd; geel: Romeins; rood: volle middeleeuwen;
10: vroegmiddeleeuwse waterputten (© Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie).

Even meer zuidelijk, en aansluitend bij de het toponiem Steenakker, zijn bij de aanleg van een
wachthaven aan het Albertkanaal, nog meer bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen
vastgesteld (fig. 13: B) 36. Verder westelijk van de Steenakker is een urnenveld uit de vroege ijzertijd
opgegraven alsook meerdere boerderijplattegronden uit de late ijzertijd/vroeg Romeinse tijd (fig. 13:
C)37. Aan de westrand van de huidige dorpskern, ter hoogte van het toponiem Krabbershoek, is
eveneens bewoning uit de metaaltijden en de Romeinse tijd vastgesteld (fig. 13: D en fig. 12)38.

Figuur 12: Grondsporen van een Romeinse potstalboerderij op het toponiem Krabbershoek (©
Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie).

35 Zie onder meer Cuyt 2000 en Cuyt 2017 en de daar vermelde literatuur.
36 Deville et al. 2011
37 Pede et al. 2011; De Mulder et al. 2010
38 Cuyt et al. 2017

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 26 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 13: Overzicht van de bekende sites in Wijnegem. A. Steenakker; B. Wachthaven Albertkanaal;
C. Blikstraat; D. Krabbershoek; E. huidige dorpskern; F. Oud Kerkhof; G. parochiekerk; H. huidige
locatie parochiekerk; I. Hof ter Borcht.

Het is dus duidelijk dat er te Wijnegem een opmerkelijke nederzettingsdynamiek heeft plaats
gevonden. Wellicht waren er meerdere boerderijerven verspreid in de omgeving gedurende de
metaaltijden en de Romeinse periode en is de zone van de Steenakker, waar zich eveneens een Gallo-
Romeins openluchtheiligdom bevond, op te vatten als een centrale plaats waar zich later in de
Merovingische periode en de volle middeleeuwen een nederzettingskern ontwikkelde. Sporen van een
kerkgebouw zijn hier niet aangetroffen. Het lijkt er op dat de nederzetting zich in de late middeleeuwen
naar het zuiden, richting Schijnvallei, verplaatste waar zich het huidige dorp bevindt met de
parochiekerk gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw (fig. 13: E). Mogelijk speelde de aanwezigheid van het Hof
ter Borcht aan de samenvloeiing van de Zwanebeek en de Grote Schijn (fig. 13: I), een rol in deze
verplaatsing. Deze burcht wordt vermeld sinds het begin van de 15de eeuw en was eigendom van de
familie Sterckx die sinds het begin van de 14de eeuw de heerlijkheid Wijnegem in haar bezit had. Haar
excentrieke ligging ten opzichte van de laatmiddeleeuwse dorpskern, meer dan 450 m ten zuiden van
de kerk die op de rand van het dorp lag, maakt deze link echter toch eerder twijfelachtig.

Bij het raadplegen van de cartografische bronnen echter is op de laat-18de-eeuwse Ferrariskaart ter
hoogte van de Wervehoeve, ca. 1 km ten noordwesten van de huidige markt, het toponiem ‘Oud
Kerkhof’ zichtbaar (fig. 13: F en fig. 14). Verder onderzoek in de archiefbronnen wijst uit dat zich hier
tot in 1562 een gotisch kerkgebouw bevond dat na vernieling door brand niet meer heropgebouwd
werd. Een nieuwe kerk werd opgericht in de verplaatste, huidige dorpskern vlak bij het huidige
marktplein (fig. 13: G). Intussen is ook deze kerk afgebroken en vervangen door een moderne kerk op
nog een andere locatie (fig. 13: H). Proefsleuven naar aanleiding van een geplande woonverkaveling
nabij de Wervehoeve brachten inderdaad muurfragmenten van de kerk en meerdere vlakgraven van
het voormalige kerkhof aan het licht39.

39 Devroe & Claesen 2012.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 27 van 84

Figuur 14: Aanduiding ‘het oudt kerckhof’ op de Ferrariskaart ten opzichte van huidige dorpskern.

Deze case toont aan dat de parochiekerk niet noodzakelijk bewaard hoeft te zijn op haar
oorspronkelijke plaats noch dat ze zichtbaar aanwezig is op historische kaarten. Meermaals blijkt
immers dat de oorspronkelijke kerk is afgebroken en verplaatst naar de nieuwe kern, zoals te
Wijnegem40. Hier bleek het toponiem ‘Oud Kerkhof’ de enige verwijzing naar de locatie van de
oorspronkelijke parochiekerk. Archivalisch onderzoek is dan een volgende stap naar meer informatie
over het bestaan van een verdwenen kerk.

Het afbakenen van zulke complexe sites is niet eenvoudig. Het vooraf bepalen van duidelijke criteria is
zeer belangrijk: is het noodzakelijk om alle sites mee te nemen in de afbakening of moet de focus liggen
op de huidige kern en de zone met de oorspronkelijke parochiekerk? De afbakening op figuur 15 neemt
meerdere bekende bewoningskernen mee.

Figuur 15: Afbakening van de historische dorpskern van Wijnegem.

40 Zie verder, bij de voorbeelden van Edegem-Buizegem en Grobbendonk-Ouwen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 28 van 84 Project historische dorpskernen 2018

4.2.3 Edegem-Buizegem

Buizegem is het toponiem van een woonwijk op ca. 1 km ten zuidoosten van de gemeente Edegem
waartoe het bestuurlijk behoort. Edegem is gelegen ten zuidoosten van de stad Antwerpen, in een
regio die bodemkundig gekenmerkt wordt door vruchtbare zandleemgronden. Afgaand op het grote
aantal toponiemen met het suffix -haim/-ingahaim is deze regio in een snel tempo gekoloniseerd in de
vroege middeleeuwen. Historisch staat dit gebied bekend als de pagus Renensis. In dit gebied zijn
inderdaad meerdere vroegmiddeleeuwse vindplaatsen aan het licht gekomen waaronder enkele
grafvelden. Het gehucht Buizegem wordt in de historische bronnen voor het eerst vermeld in 1159 als
mansus geschonken door een zekere Ausilia aan de abdij van Tongerlo. Deze nederzetting groeide uit
tot de eerste dorpskern van Edegem, met parochiekerk. De eerste vermelding van deze kerk dateert
uit 1173 maar vermoedelijk was Buizegem oorspronkelijk reeds in het begin van de 9de eeuw een
parochie van de abdij van Lobbes en later geüsurpeerd door de machtige familie van Buyseghem die
er een motte en een hoeve in bezit had (Buyseghem-hof en Buyseghem-hoeve: fig. 16: B en C).

Figuur 16: Kaart uit 1772 (noorden onderaan) met
aanduiding van Oud Kerkhof (A), Grote Buizegemhoeve (B)
en het omwalde Buizegemhof (C) (© Rijksarchief
Antwerpen).

Het is onder invloed van deze familie dat Buizegem verlaten werd ten voordele van Edegem, in
oorsprong een gehucht van de parochie Buizegem. De familie van Buyseghem nam er immers vanaf
de 13de eeuw haar intrek in de motte Ter Borcht waarvan de omtrek nog duidelijk zichtbaar is op de
kaarten van Ferraris en van Popp (fig. 17: A en fig. 18: E). Rond 1300 raakte het kerkje van Buizegem in
onbruik en werd een nieuwe parochiekerk opgetrokken tegenover het Hof ter Linden in Edegem, waar
een afgesplitste tak van de familie van Buyseghem haar woning had (fig.17: B en C en fig. 18: F en G)41.

41Wellicht werd ook het patrocinium O.-L.-Vrouw overgedragen van de oude kerk te Buizegem naar de nieuwe kerk te
Edegem. Dit patrocinium verwijst in elk geval naar een band met de abdij van Lobbes die zelf ook het O.-L.-Vrouw als
patroonheilige had. Sinds 1700 is de kerk van Edegem aan St.-Antonius gewijd. Zie Van Passen 1974, 33.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 29 van 84

Figuur 17: Ferrariskaart Edegem met aanduiding de locatie van de motte ter Borcht (A), van het
kasteel Hof Ter Linden (B) en van de nieuwe kerk (C).

Het oude kerkterrein bleef wel de naam Oud Kerkhof dragen, zoals nog steeds zichtbaar is in een
straatnaam op de 19de-eeuwse kadasterkaart van Popp, en is tot vandaag nog eigendom van de
kerkfabriek van Sint-Paulus in Antwerpen (fig. 18: A). Ten zuiden van de kerksite is op de oude kaarten
eveneens de omwalde site ‘Buyseghemhof’ zichtbaar (fig. 18: D).

Figuur 18: Popp-kaart met situering oude kern Buizegem ten zuidoosten van Edegem met aanduiding
van: A. oorspronkelijke kerk waarvan de funderingen opgegraven werden in 1933 en 1973-1976; B.
opgravingsareaal 2005; C. Grote Buizegemhoeve; D. omwalde hoeve Buyseghemhof; E. nog duidelijk
zichtbaar motte-areaal Ter Borcht; F. Hof ter Linden; G. verplaatste kerk.

De eerste opgravingen in Buizegem dateren reeds van 1933. Volgens het relaas van de opgravers
kwamen de zandstenen funderingen van het middeleeuwse kerkje en skeletresten aan het licht maar
een grondplan werd niet opgetekend (fig. 18: A). Bij steekproeven in de daar aanwezige tuinen

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 30 van 84 Project historische dorpskernen 2018

gedurende de jaren ’60 van de vorige eeuw, stootte men opnieuw op skeletmateriaal42. De eerste
plannen van het kerkje werden opgetekend tijdens archeologisch onderzoek van de Antwerpse
Vereniging voor Romeinse Archeologie van 1973 tot 1976 (fig. 19)43.

Figuur 19: Uitgebroken muursporen en paalsporen van een eenvoudig stenen zaalkerkje waarbinnen
zich graven aftekenen (Uit: Van Passen 1974, afb. 120).

Deze tonen het grondplan van een romaans stenen zaalkerkje waarbinnen zich een aantal graven
aftekenden maar ook de sporen van een oudere houtbouwfase. Buiten het kerkgebouw waren nog
meer graven maar ook volmiddeleeuwse bewoningssporen aanwezig (paalsporen, afvalkuilen,
haarden, een waterput). Naar aanleiding van verkavelingsplannen werd in 2005 ook het zuidelijke
aanpalende perceel onderzocht (fig. 18: B)44. Dit onderzoek bracht niet alleen aanvullende gegevens
over de middeleeuwse occupatie te Buizegem aan het licht (waterput, volmiddeleeuwse
boerderijplattegrond, graven binnen de omgrachting van het kerkhof) maar ook een funerair
monument uit het finaal-neolithicum dat herbruikt en gemonumentaliseerd werd in de ijzertijd, twee
crematiegraven uit de Romeinse periode en ontginningskuilen van mergelwinning uit de late
middeleeuwen (fig. 20 en 21).

42 Van Passen 1974, 27-31.
43 Brenders 1974; Brenders 1975.
44 Vandevelde et al. 2007.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 31 van 84

Figuur 20: Opgravingsplan van de zone ten zuiden van het kerkje (Uit: Vandevelde & Annaert 2006, plaat I).

Figuur 21: Een van de graven binnen de
kerkhofomgrachting (Uit Vandevelde & Annaert 2006, fig.
14).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 32 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Wat de afbakening als archeologische zone betreft, kunnen zowel de kern van Edegem als de kern van
Buizegem als twee aparte dorpskernen aangeduid worden (fig. 22-23). Het betreft hier geen
verplaatsing van de dorpskern maar eerder de opgave van een kern ten voordele van een andere kern
naar aanleiding van de verandering van woonplaats van de grondheren.

Figuur 22: Popp-kaart met voorstel tot afbakening van de kern Edegem. A: Hof ter Borcht, B: Hof ter
Linden, C: parochiekerk.

Figuur 23: Popp-kaart met voorstel tot afbakening van de
verdwenen kern Buizegem op basis van de kaart van 1772.

4.2.4 Grobbendonk-Ouwen

De gemeente Grobbendonk ligt oostelijk van de stad Antwerpen, tussen de steden Antwerpen en
Herentals, ten noorden van de Kleine Nete. De aanwezigheid van een lage dekzandrug (15 m hoog) die
zich verheft boven de alluviale Netevallei is bepalend geweest voor de bewoningsgeschiedenis van
deze gemeente. De rug strekt zich uit in oostwest-richting tussen de valleien van de Kleine Nete en de
Boshovense Loop. De vruchtbare zandleembodem en de nabijheid van de Nete, die een verbinding

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 33 van 84

vormde met de Schelde, trokken van oudsher bewoning aan. Een aantal vondsten wijst op het bestaan
van nederzettingskernen uit de metaaltijden maar Grobbendonk is vooral gekend van de Romeinse
vicus die zich ontwikkelde ter hoogte van het toponiem Steenberg noordelijk van de huidige dorpskern
(fig. 24-25)45. Romeinse grafvelden zijn gekend ter hoogte van de Floris Primsstraat, de Schransstraat,
de Wijngaardstraat en de Vorselaarsebaan46.

Figuur 25: Romeinse kelder met
voorraadpot in de Hoogveldstraat (©
Figuur 24: Opgravingsplan vicus Steenberg (Uit: Reyns & Bruggeman 2015, fig. 6). agentschap OE).

In de vroege middeleeuwen verschoof de bewoningskern naar het westen. De kleine neogotische kapel
op de hoek van de Kapelstraat herbergt de ondergrondse resten van een houten vroegmiddeleeuws
kerkje opgericht boven enkele rijke laat-Merovingische graven (fig. 26)47. Het kerkje werd verbouwd
tot een romaanse en later een gotische driebeukige kerk, met Sint-Lambertus als patroonheilige.
Rondom ontwikkelde zich een kerkhof met omgrachting48. Deze kerk was de oorspronkelijke
parochiekerk van de nederzetting, toen gekend onder de naam Ouwen. Het huidige toponiem
Kerkeveld verwijst nog naar het bestaan van de oorspronkelijke kerk.

45 De Boe 1985.
46 Janssens 1966a; Janssens 1966b; Verbeeck 2010.
47 Mertens 1976, 14-26.
48 Mertens 1976; Mertens et al. 1977.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 34 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 26: Opgravingsplan kerk van Ouwen (© agentschap OE).

Figuur 27: Eén van de houten waterputten op de
volmiddeleeuwse nederzetting langsheen de
Nijverheidsstraat (© agentschap OE).

Meerdere werfcontroles bij bouwwerken rond deze kapel brachten versnipperde sporen van de hier
aanwezige vroegmiddeleeuwse bewoning aan het licht. Ten zuiden van deze zone, werd zuidelijk van
de Floris Primsstraat een Merovingisch grafveld opgegraven49. Dat de bewoning zich verder in de volle
middeleeuwen ontwikkelde, werd in 2000 aangetoond tijdens de opgravingen langs de
Nijverheidstraat waar enkele bootvormige gebouwplattegronden en twee waterputten aan licht
kwamen (fig. 27 en fig. 28: E)50.
In de late middeleeuwen moet de kern ongeveer 1 km zuidwaarts richting de alluviale gronden van de
Nete verschoven zijn (fig. 28: F). De huidige parochiekerk, een moderne kerk ter vervanging van de
afgebrande gotische kerk op dezelfde locatie, draagt met Sint-Lambertus hetzelfde patrocinium als
haar voorganger, wat dus duidelijk verwijst naar een vroegmiddeleeuwse oorsprong. Kerk en

49 Janssens 1964.
50 Annaert & Vervoort 2003.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 35 van 84

dorpskern tekenen zich op de 18de-eeuwse kaarten af rond een driehoekige dries. Meer oostelijk, aan
de samenvloeiing van de Aa en de Kleine Nete, werd in de 12de/13de eeuw het kasteel van de heren
van Grobbendonk opgericht (fig. 28: G). Mogelijk speelt de aanwezigheid van deze burcht als eigendom
van een invloedrijke familie, een rol in de verplaatsing van de bewoningskern, alhoewel deze ook in dit
geval nog ver van de dorpskern van Grobbendonk is gelegen.

Figuur 28: Overzicht van de verschillende sites te Grobbendonk-Ouwen op de Ferrariskaart.
A: Romeinse vicus; B: Romeinse grafvelden; C: Merovingische graven en kerkje van Ouwen;
D: Merovingisch grafveld; E: nederzetting uit de volle middeleeuwen; F: laatmiddeleeuwse
woonkern; G: kasteel heren van Grobbendonk.

Figuur 29: Voorstel tot afbakening van de kernen van Ouwen en Grobbendonk.

Wat de afbakening betreft, kan men er voor pleiten om de oudere kern van Ouwen afzonderlijk af te
bakenen (fig. 29). De Romeinse vicus wordt dan best meegenomen binnen de begrenzing. De
afbakening van het jongere Grobbendonk kan eventueel uitgebreid worden met de kasteelsite die via
een dreef verbonden was met de perifere bewoning van het dorp.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 36 van 84 Project historische dorpskernen 2018

4.3 LIMBURG
4.3.1 Kaulille

Kaulille (fig. 30), deelgemeente van Bocholt, ligt op een licht afhellende noordzijde van het Kempens
plateau (47,79 m TAW) in het noorden van de provincie Limburg. Het gebied, dat behoort tot het
Maasbekken, wordt ten westen van de dorpskern ontwaterd door de Warmbeek en ten oosten door
de Rakerbeek, de Rieterheideloop en de Balkenloop. Kaulille ligt in een gebied met droge tot matig
natte zandbodems in het oosten en lemige zandbodems in het westen, vooral gekenmerkt door dikke
antropogene humus A-horizont (plaggenbodems).

Figuur 30: Kaulille op de kaart van Ferraris (1771-1778) en op de huidige topografische kaart.

De naam Kaulille is samengesteld uit cauwe- wat zoveel betekent als kauw en/of kraai en -lil of -lo dat
linde of bos betekent. Uit de historische bronnen zou blijken dat het Sint-Servaaskapittel te Maastricht
Kaulille gesticht heeft en er een kerk heeft opgericht na 1039, het verheffingsjaar van de
patroonheiligen Monulfus en Gondulfus, beiden 6de-eeuwse bisschoppen te Maastricht51. Tussen
1202 en 1257 verloor het Sint-Servaaskapittel zijn heerlijkheidsrechten aan de graaf van Loon, die
zeker vanaf 1259 heer van Kaulille is52. Het mogelijk oudste tastbare bewijs van de ouderdom van de
kerk is het wijwatervat in zandsteen dat stilistisch gedateerd is in de 13de eeuw. Ook zijn onder de nog
bestaande vroeg-gotische westertoren in baksteen op enkele plaatsen restanten op te merken van een
fundering opgebouwd met zwerfkeien en/of breukstenen53. Hoe de oude kerk er uitzag is niet gekend.
In de 15de of 16de eeuw werd de oorspronkelijke kerk vervangen door een éénbeukig, bakstenen
gebouw, met drie traveeën en bakstenen spitsboog vensters (fig. 31). Uiteindelijk werd de oude kerk
afgebroken en kreeg de parochiekerk in 1930 een andere oriëntatie nl. zuidoost georiënteerd en
aangebouwd tegen de oude behouden kerktoren. Delen van de oudere funderingen zijn geregistreerd
bij een vondstmelding in 2014 (fig. 31)54.

Buiten de schaarse informatie over de parochiekerk is er geen archeologische informatie die meer kan
vertellen over de ouderdom van de historische dorpskern. Een kilometer ten oosten van de dorpskern

51 Vangerven 2000. Onderzoek in de oorkonden van het Marienstift van Aachen in het Nordrhein-Westfälisches
Hauptstaatsarchiv te Düsseldorf.
52 Vangerven 2000; Vander Sanden 1992; http://www.bocholt.be/fb111xyde1018rorb1qoob53.aspx. Het is de oudste

vermelding van de naam Caulille.
53 https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/70752 en Strijbos 1994.
54 Vynckier 2017.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 37 van 84

ligt de schans van Kaulille (CAI locatie 161159) (fig. 32: B)55. Deze schans is opgericht in de 17de eeuw
(oudste vermelding “ons forte” uit 1637) maar verloor al snel haar betekenis. Vanaf 1653 werd ze
bewoond door de pastoor van het dorp, tot in 1869. Door de afstand met de dorpskern en zijn
postmiddeleeuwse oorsprong houdt ze op zich geen verband met de oorsprong, de evolutie of de
morfologie van de historische dorpskern van Kaulille, en zou om deze reden niet opgenomen worden
in zijn afbakening als archeologische zone.

Figuur 31: Fasenplan na de opgraving van de Sint-Monulfus
en -Gondulfuskerk vóór 1930. 1: 14de-eeuwse toren;
2: éénbeukige kerk vóór 1901 (niet opgegraven);
3: éénbeukige kerk vóór 1901 (opgegraven); 4: uitbreiding
met transept en sacristie uit 1901 (niet opgegraven);
5: uitbreiding met transept en sacristie uit 1901
(opgegraven).

Net buiten de dorpskern, ongeveer 500 m ten noordwesten, is wel een uitgebreid grafveld uit de
ijzertijd archeologisch onderzocht (fig. 32: D). Het betrof 37 graven, zowel urnegraven als
brandafvalgraven, brandstapelgraven en beenderresten, naast minstens 12 grafheuvels (diameters:
9,5 tot 15 m), 35 kringgreppels (diameters: 5 tot 11m) en 2 langbedden56. Uit historische kernen van
vroegmiddeleeuwse oorsprong is gekend dat dergelijke rituele ruimtes steeds een sterke
aantrekkingskracht bleven uitoefenen in latere periodes, tot in de Merovingische tijd (5de-7de eeuw).

55 https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/70755 en
56 Van Impe 1977; Engels & Van Impe 1984; Engels & Van Impe 1985; Coninx & Creemers 1988.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 38 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Meerdere voorbeelden daarvan zijn gekend uit de Kempen57, zoals op de site Beerse-Krommenhof,
waar een uitgestrekt grafveld uit het tweede millennium voor Christus in de vroege middeleeuwen
bewust hergebruikt werd als begraafplaats en later ook als woonplaats. Dit is ook vastgesteld in Oud-
Turnhout-Bentel en te Edegem-Buizegem (zie eerder). Of er een verband is tussen het prehistorische
grafveld en de locatie van de historische dorpskern van Kaulille kan momenteel niet aangetoond
worden, maar met deze mogelijkheid moet wel rekening gehouden worden. Iets ten noordoosten van
de dorpskern, op ongeveer 400 m van de kerk, is in 1971 bij rioleringswerken een boomstamwaterput
aangesneden die uit de 12de eeuw zou dateren (fig. 32: C)58. Ook hier is een verband met oudere
bewoning of met het ontstaan van de dorpskern niet duidelijk. De vaststelling dat
proefsleuvenonderzoek direct ten noordoosten van de dorpskern nauwelijks archeologische sporen of
resten opleverde (fig. 32: E)59, maakt een afbakening er niet eenvoudiger op.

Figuur 32: Historische dorpskern van Kaulille op het gereduceerd kadaster uit het midden van de 19de eeuw. A:
parochiekerk; B 17de-eeuwse schans; C: lokalisatie boomstamwaterput; D: grafveld uit de ijzertijd; E: zone met
proefsleuven.

Het afbakenen van de historische dorpskern van Kaulille zou op basis van de huidige kennis beperkt
blijven tot het gebied ten noorden van de parochiekerk waar duidelijke bewoning aanwezig is op de
kaart van Ferraris en op het 19de-eeuwse kadaster (fig. 33-34). Aan de noordzijde van de kern bevond
zich het historische Keizershof, een grote hoeve/afspanning waarvan de oudste vermelding teruggaat
tot 155560 en in het zuiden de parochiekerk.

57 Delaruelle et al. 2013, 184-189; Vandevelde et al. 2007.
58 Claassen 1972b.
59 Vandegehuchte et al. 2008.
60 Schlusmans 2005.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 39 van 84

Figuur 33: Mogelijke afbakening van de historische dorpskern (rode lijn), gesitueerd op de kaart van
Ferraris, met aanduiding van de 17de-eeuwse Kauliller- of Rakerschans (groen) en de 16de-eeuwse
afspanning/hoeve Keizershof (blauw).

Figuur 34: Mogelijke afbakening als AZ van de dorpskern van Kaulille op het 19de-eeuwse kadaster.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 40 van 84 Project historische dorpskernen 2018

4.3.2 Lummen

Lummen is gelegen op het kruispunt van diverse landschappen en vertoont kenmerken van het
Hageland, Haspengouw en voornamelijk van de Kempen. Het ligt aan de zuidzijde van een zuidwest-
noordoost gerichte heuvelrug (ongeveer tussen TAW 41 en 36) die het Hageland verbindt met het
Kempens laagplateau net ten noorden van de brede Demervallei, waar in het zuiden de Mangelbeek
en de Voortbeek zorgen voor de ontwatering van het gebied richting Demer. Ten noorden van de
heuvelrug zorgen de Laarbeek en de Zwarte beek hiervoor. De bodems ten noorden van de dorpskern
bestaan vooral uit droge zandbodems. In het zuiden komen vooral matig droge lemige zandbodems
voor met een dikke antropogene humusrijke A-horizont, plaggenbodems dus.

De oudste vermelding van Lummen dateert uit 1200 als Lumne (van het Germaans lumina of lom, dat
modderige/ vochtige betekent). Oorspronkelijk lag Lummen binnen het villadomein van de
prinsbisschop van Luik waarvan de kern tot 1180 een parochie vormde. Het domein werd in beslag
genomen door de graven van Loon in het kader van de uitbreiding van het graafschap richting de pagus
Toxandriae en hun verzet tegen de hertogen van Brabant, waarna ze het als een allodium inrichtten.
Dit werd in 1203 terug in leen overgedragen aan de prins-bisschop Hugo de Pierrepont met als
leenman Lodewijk van Walcourt, voogd van Haspengouw en eerste Heer van Lummen (toen
tweeheerlijkheid). Door huwelijk kwam Lummen in 1350 in het bezit van de familie van der Marck-
Arenberg tot aan de Franse tijd61.

Lummen vormt een lineair kerndorp met een parochiekerk en een iets oostelijker gelegen dorpsplein.
Op de plaats van de kerk zou vroeger het oude castrum gelegen hebben dat later werd vervangen door
de nieuwe Burg (fig. 35: 4) ten zuiden van het dorp aan de oevers van de Mangelbeek62. Dit castrum
met een opper-neerhof structuur zou door graaf Lodewijk II bij de overdracht in 1203 van zijn allodium
aan de Luikse prins-bisschop vermeld zijn63. De oudste bewaarde restanten van de nieuwe Burg
dateren uit de 16de eeuw. De locatie en de verdere evolutie van de nieuwe Burg had echter geen
invloed op de ontwikkeling van het dorp Lummen. In 1965 zou men bij het aanleggen van
waterleidingen in de Kerkstraat voor de kerk op allerlei fundamenten en keldergewelven gestoten zijn
waarvan de herkomst en de ouderdom ongekend is. Een bijkomend argument om de oude versterking
daar te plaatsen is de ten zuiden van het kerkhof lopende straat die tot op heden de Burggracht is. Of
er op dat ogenblik ergens anders een kerk of kapel stond in het dorp is niet geweten. De parochiekerk
zal echter waarschijnlijk ontwikkeld zijn uit een eigenkerk die deel uitmaakte van de oudste heerlijke
woning. De gebogen vorm van de straten ten noorden (Ketelstraat) en ten zuiden (Burchtgrachtstraat)
van de kerk wijzen alvast in de richting dat het bidhuis oorspronkelijk op een omwalde site stond (fig.
36). Het gebouw staat centraal binnen deze aldus circulair gevormde zone, wat op de Atlas der
Buurtwegen duidelijk te zien is. De huidige parochiekerk van Lummen, toegewijd aan Onze-Lieve-
Vrouw Hemelvaart, is een neoromaanse kerk die in 1870-1872 gebouwd werd ter vervanging van de
oude gotische kerk. Opmerkelijk is de noord-zuid oriëntatie van de nieuwe kerk, terwijl op de
historische oudere kaarten duidelijk te zien is dat de oude kerk in oost-west richting staat. In de buurt
van het noorden van de kerk situeert zich de vondst van een muntschat, daterend uit de Late IJzertijd64.

61 Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Lummen [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/120964 (geraadpleegd
op 12 maart 2018). Zie ook Claassen 1972a; Pacquay 1936; Ulens 1930.
62 Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Kasteeldomein De Burg [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/22578

(geraadpleegd op 12 maart 2018).
63 Brans & Thiels 1968, 21-22.
64 Scheers 1996.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 41 van 84

Figuur 35: Situering van de schansen (1-3) en de nieuwe Burg (4) rond de dorpskern van Lummen op de kaart van Ferraris
(1771-1778).

Tijdens de 17de en de 18de eeuw werden verschillende schansen aangelegd rond de dorpskern van
Lummen waarvan er drie zichtbaar zijn op de historische kaarten: het Hamel (fig. 35: 1) en de
Lummense Schans of Schans van Schalbroek ten westen van het dorp (fig. 35: 2) en ten oosten de
Schans van Oostereinde of Groene Schans (fig. 35: 3)65. Dankzij de latere kasteelparken rond de
dorpskern bleven heel wat bossen en vijvers behouden. Door een sterk toenemende lintbebouwing bij
de recente zuidelijke ringlanen en aan de verschillende hoofdwegen vanuit de dorpskern werd veel
van het oorspronkelijke omringende landschap vernield.

Binnen het dorp Lummen is er tot nu toe weinig archeologisch onderzoek gebeurd. Alleen in het kader
van archeologienota’s werden recent enkele bureauonderzoeken uitgevoerd en op een paar plaatsen
een archeologische prospectie met ingreep in de bodem voorgesteld of uitgevoerd. Een eerste
onderzoek gebeurde naar aanleiding van de herinrichting van het Charles Wellensplein en de
Dorpsstraat in het midden van het dorp66. Resultaten van deze ingreep zijn nog niet gekend. Een
tweede proefsleuvenonderzoek ten westen van de dorpskern leverde geen archeologische sporen
op67. Een derde bureauonderzoek naar aanleiding van het afbreken, renoveren en heropbouwen van
een rusthuis aan de Wijngaardstraat te Lummen68 vermeldde voornamelijk meerdere losse vondsten
uit de ijzertijd. Het voorgestelde proefsleuvenonderzoek is nog niet uitgevoerd. Naar aanleiding van
rioleringswerken in de Pastoor Frederickxstraat, lopende van noord naar zuid werd in een
archeologienota besloten geen verder onderzoek uit te voeren wegens een te kleine vooropgestelde
kenniswinst69.

Lummen ontwikkelde zich als een kerndorp rond de kerk met een lineaire uitbreiding richting
noordoosten vanuit het centrale plein. Daar de archeologische gegevens beperkt zijn voor het centrum

65 Centraal Archeologisch Inventaris, CAI ID 164392, 70748 en 161032.
66 Datema 2017a.
67 Hoebroeks & Wesemael 2017.
68 De Raymaeker & Dockx 2016.
69 Datema 2017b.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 42 van 84 Project historische dorpskernen 2018

van het dorp en de omgeving moet de afbakening van de historische dorpskern van Lummen vooral
gebaseerd worden op historische teksten en op cartografische bronnen zoals de kaart van Ferraris
(1771-1778), het gereduceerd kadaster (1848) en de Atlas der Buurtwegen
(midden 19de eeuw) (fig. 36).

Figuur 36: Mogelijke afbakening van de AZ historische dorpskern van Lummen op de Atlas der Buurtwegen.

4.4 OOST-VLAANDEREN

4.4.1 Baasrode als typevoorbeeld van oevermarktnederzettingen

De morfologie van een aantal dorpen langsheen de Beneden-Schelde op de grens tussen de provincies
Oost-Vlaanderen en Antwerpen vertoont de lay-out van zogenaamde oevermarktnederzettingen70.
Het gaat onder meer om de dorpen Baasrode en Schellebelle in de provincie Oost-Vlaanderen en
Mariekerke net over de grens in de provincie Antwerpen. Het betreft een nederzettingstype dat reeds
in de vroege middeleeuwen voorkomt en gekenmerkt wordt door een langgerekte op de contactzone
met het water gerichte structuur. Binnen dergelijke nederzettingen is een reeks elementen met
betrekking tot scheepvaart en handel verenigd zoals een haven, markt, opslagzones, ambachtelijke
functies, woonmogelijkheden en een beschermende religieuze kern. In Nederland is een deel van die
oevermarktnederzettingen direct of indirect geëvolueerd tot middeleeuwse steden71, wat ook voor
een aantal Vlaamse steden waarschijnlijk het geval is72.

70 Moens et al. 2011, 76-78, fig. 39.
71 Alders 2007.
72 Bijvoorbeeld te Gent (Vermeiren et al. 2017, 11-15) of te Aalst (Callebaut 1983; De Groote 2013).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 43 van 84

Figuur 37: De typische oevermarktstructuur van Baasrode op de kaart van Ferraris (1771-1778).

De langgerekte oevermarktstructuur van Baasrode langsheen de rechteroever van de Schelde is op het
cartografisch bronnenmateriaal duidelijk zichtbaar (fig. 37). Bij een dergelijke nederzetting bevonden
zich langsheen de oever structuren zoals aanlegkades en opslagplaatsen. De weg parallel met de oever
bevond zich aan de andere zijde van de percelen haaks op de rivier en zorgde voor de aan- en afvoer
van handelswaar. De gemeenten Baasrode, Schellebelle en Mariekerke (fig. 38) vertonen deze
basiskenmerken en enkele opvallende gemeenschappelijke elementen73. Ze liggen op een lichte
verhevenheid die bodemkundig de rand vormt van of een uitloper is van het zich naar het zuiden
uitstrekkende zandleemgebied. Doorheen de historische dorpskern loopt een parallel met de rivier
verlopende weg waarbij een reeks huizen is ingeplant tussen deze verkeersas en de Schelde. De kerk
ligt aan het uiteinde van de bewoning, dicht bij de Scheldeoever, op de plaats waar de weg stopt of
van de rivier wegdraait. Hierbij valt op dat de kern gedeeltelijk of volledig ingesloten wordt door een
beek (Sint-Jansveldbeek te Mariekerke, Zwarte Beek te Baasrode en Roebeek te Schellebelle), waarvan
de beekmonding zich in de nabijheid van de dorpskerk situeert. Bij deze drie dorpen gaat het duidelijk
om relicten van reeds vroeg ontstane dorpen waar zich enkele uitgelezen topografische en
bodemkundige elementen verenigden. Voor Mariekerke, oorspronkelijk gekend als Onze-Lieve-
Vrouw-Baasrode, moet er gewezen worden op het feit dat dit dorp in oorsprong deel uitmaakte van
het oude Baceroth-domein, waaruit ook Baasrode is ontstaan. Ook andere gemeenten zoals Wichelen
en Schoonaarde vertonen kenmerken van vroege oevermarktnederzettingen.

73 Moens et al. 2011, fig. 39.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 44 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 38: De oevermarktstructuur van Mariekerke, zoals weergegeven op de kaart van Villaret (1743-1745).

Op basis van de gegevens uit recent onderzoek kan Baasrode als typevoorbeeld van een dergelijke
oevermarktnederzetting onder de loep genomen worden74. Voor het ontstaan van het domein van
Baasrode en de ontwikkeling van het dorp kan gesteund worden op een reeks historische,
archeologische en landschappelijke gegevens. De historische dorpskern is zoals reeds vermeld, gelegen
op de noordoostelijke rand van een tot aan de rivierbedding reikende relatief vruchtbare rug van matig
droge tot matig natte lichte zandleembodems en wordt aan de westzijde begrensd door de Zwarte
Beek die ten noorden van de kerk in de Schelde uitmondt. De nederzetting wordt in 821 voor het eerst
vermeld als Baceroth en in 830 als Baceroda en is van Germaanse oorsprong, met het onbekende prefix
batsa- en het suffix -ropa, wat gerooid bos betekend75. De oudste vermelding in 821 is een bevestiging
van het bezit door de abdij van Saint-Amand-les-Eaux (Noord-Frankrijk, tussen Valenciennes en Lille).
Het wijst er op dat het domein al vroeger abdijbezit was, net als vele andere domeinen in het Schelde-
gebied76. Deze noordelijke bezitting vindt wellicht zijn oorsprong in de vroegmiddeleeuwse
evangelisatiebeweging in de Scheldevallei, waarin Amandus, de stichter van de abdij, een belangrijke
rol speelde77. De tekst uit 821 (bewaard als kopie van rond 1300) vermeldt: 'In pago bracbatinse in loci
nuncupatis baceroth, decla, neonifio et securiaco mansi xlviiij' het gaat dus om 49 mansi, of hoeves
gelegen in de plaatsen Baasrode, Dikkele, Ninove en Sirault78. Dit domein Baceroth was wel veel groter
dan het later dorp Baasrode, en omvatte ook de gemeenten Vlassenbroek, Sint-Amands en
Mariekerke. De aanwezigheid van het hof van Peene in het centrum van het dorp wijst er wel op dat
hier het exploitatiecentrum gelegen was. Bij opgravingen in een deel van het 14de-eeuwse hof van
Peene, dat waarschijnlijk teruggaat op een ouder hof, werden restanten van oud akkerland
aangesneden waarin vroegmiddeleeuws aardewerk is aangetroffen, verwijzend naar de
vroegmiddeleeuwse oorsprong van het dorp79.

74 Moens et al. 2011.
75 Gysseling 1960, 91.
76 Hooghe 2006, 19-29.
77 Berings 1986, 440-441; Milis 1981, 269-271.
78 Hooghe 2006, 19-20.
79 Moens et al. 2011, 75-76.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 45 van 84

Dit vroegmiddeleeuwse materiaal bestaat uit zowel Merovingisch als Karolingisch aardewerk, naast
een tiental dakpanfragmenten van het Romeinse type. Ook al zijn deze vroegmiddeleeuwse vondsten
allemaal als residueel materiaal in jongere sporen aangetroffen, toch zijn ze betekenisvol. Zeven
residuele aardewerkscherven op een beperkte oppervlakte wijzen op een oudere, vroegmiddeleeuwse
occupatie in de directe omgeving. Mogelijk is het merendeel van het materiaal enkel te verklaren door
de aanwezigheid van oud akkerland, dat reeds van in de vroege middeleeuwen ontgonnen was, en
waarbij het aardewerk via bijvoorbeeld bemesting op deze gronden terechtgekomen is. Het is echter
ook niet uitgesloten dat een deel van de vondsten afkomstig is uit andere structuren die door latere
bouwactiviteiten in en rond het Hof van Peene vergraven zijn. De aanwezigheid van de
dakpanfragmenten van het Romeinse type kan ook in deze richting te wijzen.

Figuur 39: Voorstel tot afbakening van de historische dorpskern van Baasrode, op basis van de Atlas der Buurtwegen.

Een afbakening als archeologische zone is voor dit type van dorpen vrij eenvoudig omdat ze meestal
een duidelijke oude structuur hebben. Baasrode is daar een goed voorbeeld van. Een aflijning op
perceelsniveau kan nauwkeurig gebeuren omdat het beeld van het dorp op de oudste kadasterkaarten
weinig verschil vertoont met de kaarten uit de 18de eeuw. De historische dorpskern voor Baasrode
zou dan kunnen afgebakend worden zoals te zien op figuur 39.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 46 van 84 Project historische dorpskernen 2018

4.4.1 Erondegem

Een tiental kilometer ten westen van Aalst bevindt zich de historische dorpskern van Erondegem,
deelgemeente van Erpe-Mere, gelegen op de grens tussen het leem- en zandleemgebied. Het betreft
een genucleëerd dorp langsheen de Zandstraat die zich parallel met de Molenbeek uitstrekt tot aan
de Gentsesteenweg (fig. 40). De kern is gesitueerd bovenop de steilrand van de vallei van de
Molenbeek, waarop zich ter hoogte van de kern ook een brug bevindt. Op maximum ongeveer 150 m
van de kerk bevindt zich een oud bronniveau en beektracé, dat duidelijk op de bodemkaart vanaf de
bebouwde zone richting Molenbeekvallei trekt. De bron situeert zich ter hoogte van de oude hoeve
Kapelhof80 (fig. 41: 2). De naamgeving van het dorp en van de kerk hebben een vroegmiddeleeuwse
oorsprong. Enkele vondsten uit 1935 aan de rand van de kern vormen het archeologische bewijs van
een occupatie uit de Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode (zie verder).

Figuur 40: Erondegem op de kaart van Ferraris (1771-1778).

Erondegem is een Germaans toponiem met suffix -ingahem, wat zoveel betekent als ‘woning van de
lieden van’ en dat aangewend werd van de 6de tot de 8ste eeuw. De dorpskern is gesitueerd op de
grens tussen de vochtige weidegronden in het alluvium van de Molenbeek en de hoger gelegen zeer
vruchtbare leemgronden van de Erondegemkouter. De oudste vermelding dateert uit de 9de eeuw, als
‘Eroldingeheim in pago Bracbatensis’, in het polypticum van de abdij van Lobbes uit 868-869. Iets
jongere vermeldingen zijn ‘Erondeghem’ in 1036 en ‘Eroldingem’ in 105981. Van de Sint-
Pietersbandenkerk, waarvan nog een deel van het gotische koor bewaard gebleven is, dateert de
oudste vermelding uit 1108. Op basis van zijn patroonheilige kent deze kerk zijn oorsprong
waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen. Samen met Sint-Martinus is Sint-Pieters een patrocinium

80 Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Hoeve Kapelhof [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/8292
(geraadpleegd op 23 maart 2018).
81 Gysseling & Verhulst 1969.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 47 van 84

dat de christianisatie in de 6de en 7de eeuw in het Schelde- en Leiebekken weerspiegelt onder impuls
van de Merovingische monarchie en de hoge aristocratie82. Waarschijnlijk kent ze haar oorsprong als
eigenkerk binnen het domein dat voor het eerst in de 9de eeuw vermeld is. Deze vroege oorsprong
van Erondegem lijkt bevestigd te worden door de vondst in 1935 bij leemwinningswerken op een
terrein net ten zuiden van de kerk (fig. 41: 3), van verschillende rechthoekige verkleuringen waarin
aardewerk, glas, munten, metaal en parels werden aangetroffen. De meeste vondsten zijn verloren
gegaan, maar op basis van ingekleurde tekeningen uit de jaren 1940 van een deel van de vondsten is
het duidelijk dat het hier restanten betreft uit de Merovingische periode, hoogstwaarschijnlijk
afkomstig van een grafveld83.

Figuur 41: Gereduceerd kadaster van Erondegem uit 1852, met aanduiding van de mogelijke afbakening van de historische
dorpskern (rode lijn), de parochiekerk (1), het bronniveau ter hoogte van het Kapelhof (2), de Merovingische en Romeinse
vondsten (3) en de spoorlijn (zwarte stippellijn).

De positie van de Sint-Pietersbandenkerk op de rand van het dorp, gelegen naast de grote dorpskouter,
is een typische situatie die in vele dorpen met een vroegmiddeleeuwse oorsprong wordt aangetroffen.
De meeste dorpen hebben een ruimtelijke evolutie doorgemaakt die samenhangt met de evolutie in
het beheer van het akkerland, van een centraal akkercomplex met daarrond vele kleine gesloten
akkers naar een systeem van een grote open kouter in de 10de-11de eeuw84. Hierdoor is het
waarschijnlijk dat op de open ruimte in de buurt van de dorpskerk nog vroegmiddeleeuwse
occupatiesporen aanwezig zijn, zoals ook blijkt uit talrijk archeologisch onderzoek in de omgeving van
dorpskernen van vroegmiddeleeuwse oorsprong in Vlaanderen.

82 Berings 1986.
83 De Swaef 1986.
84 Verhulst 1995; Verhulst 1979-80.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 48 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Naast de Merovingische vondsten zijn in 1935 op dezelfde plaats ook verschillende voorwerpen uit de
Romeinse periode aangetroffen, waaronder een tiental scherven in terra sigillata en kruikwaar, en drie
verschillende munten uit de 2de eeuw. Wat hier het verband is met de vroegmiddeleeuwse sporen is
niet duidelijk, maar steeds meer blijkt een Merovingische occupatie zich te bevinden op of in de directe
nabijheid van een Romeins domeincentrum. Deze zone ten zuiden van de dorpskern van Erondegem
bevat waarschijnlijk nog meer belangrijke archeologische informatie over de oorsprong en
ontwikkeling van deze landelijke bewoningskern in de vroege middeleeuwen. Om deze reden moet dit
gebied zeker mee opgenomen worden in de eventuele afbakening van de historische dorpskern van
Erondegem als archeologische zone (fig. 41).

4.4.3 Lemberge

Lemberge is een klein dorp in Oost-Vlaanderen, gelegen in de zandleemstreek, net voor de grens met
de alluviale vallei van de Schelde. Het is een deelgemeente van Merelbeke en situeert zich ongeveer 9
km ten zuidoosten van Gent. Deze historische dorpskern met vroegmiddeleeuwse oorsprong vormt
een interessante case vanwege archeologisch onderzoek dat recent in het centrum plaatsvond en dat
de mogelijkheid biedt de ruimtelijke evolutie van een dergelijk dorp onder de loep te nemen.

De oudste vermelding van Lemberge dateert uit 973 als Lintberga85. De dorpskerk heeft Sint-
Aldegondis als patroonheilige. Aldegondis was een adellijke dame uit Henegouwen die in de 7de eeuw
het klooster van Maubeuge zou gesticht hebben. Het patrocinium wijst erop dat deze bidplaats
waarschijnlijk haar ontstaan kent als eigenkerk binnen een vroegmiddeleeuws domein. De lokalisatie
van de kerk op de rand van het dorp, gelegen langs een vruchtbare en goed gedraineerde
zandleemkouter, is een typische situatie die in vele dorpen met een vroegmiddeleeuwse oorsprong
wordt aangetroffen (fig. 42). De ruimtelijke organisatie van dergelijke nederzettingskernen gaat
meestal samen met de veranderingen in het beheer van het akkerland, waarbij het
vroegmiddeleeuwse systeem van een centrale kouter met daarrond vele kleine gesloten akkers in de
10de-11de eeuw evolueert in een systeem van een grote open kouter86. Lemberge heeft op het
gereduceerd kadaster een structuur van verspreide bewoning rond de noordwestelijke uitloper van de
centrale kouter, met twee foci: oostelijk de kerk met enkele gebouwen en westelijk de dries, reeds
gelegen op de rand van het Scheldealluvium, waarrond ook wat bewoning geconcentreerd ligt. Van
zuidwest naar noordoost loopt doorheen deze uitloper van de kouter een voetwegel die op sommige
19de- en 20ste-eeuwse kaarten als Aldegondiswegel vermeld staat. Deze wegel komt recht op de
dorpskerk uit.

85 Gysseling 1960, 605.
86 Verhulst 1995; Verhulst 1979-80.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 49 van 84

Figuur 42: De dorpskern van Lemberge op de kaart van Ferraris (1771-1778), met ten westen ervan de Poelstrate, de
lokalisatie van de tweede kern van het dorp aan de dries (op de plaats van de poel).

Naar aanleiding van een vondstmelding was er in 2011 een kleinschalig proefsleuvenonderzoek op een
terrein ten noordoosten van de kerk. Op een 70-tal meter van het kerkgebouw werden twee
Merovingische kuilen aangetroffen met resten van ijzerproductie. Ze vormden de eerste directe
aanwijzingen van de vroegmiddeleeuwse oorsprong van het dorp87. Dit werd definitief bevestigd door
het proefsleuvenonderzoek naar aanleiding van een verkaveling in de dorpskern ten zuidwesten van
de kerk, langs weerzijden van de Aldegondiswegel, en de daarop volgende opgravingen88. Naast talrijke
sporen uit de prehistorie zijn een 13-tal brandrestengraven aan het licht gebracht, die behoren tot een
vrij groot Romeins grafveld dat mogelijk ook nog vroegmiddeleeuwse begravingen bevat. De
belangrijkste vondst echter die verband houdt met de oorsprong van Lemberge is aangetroffen op 200
m ten westen van de kerk, net naast de Aldegondiswegel (fig. 43). Het betreft een reeks
nederzettingssporen uit de Merovingische periode, bestaande uit een hoofdgebouw, vier
bijgebouwen, een poel en enkele kuilen met het afval van metaalbewerking. Dit zou volledig
bevestigen wat op basis van de resultaten van de vondstmelding uit 2011 al vermoed kon worden.
Zowel de resultaten van de opgravingen naar aanleiding van een vondstmelding ten oosten van de
kerk als de gegevens uit het archeologische onderzoek ten westen van de kerk wijzen op de
vroegmiddeleeuwse oorsprong van Lemberge en op het grote wetenschappelijke belang van
archeologisch onderzoek in historische dorpskernen, in het bijzonder in de omgeving van de
parochiekerken.

87 De Groote et al. 2012; Moens et al. 2017.
88 Hoorne & Heynssens 2014; van den Dorpel & Beke 2018.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 50 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 43: Zicht op de Aldegondiswegel die op de Sint-Aldegondiskerk is georiënteerd, met rechts
daarvan archeologische sporen van een Merovingische nederzetting tijdens het proefsleufonderzoek
(foto: De Logi & Hoorne, uit: Hoorne & Heynssens 2014).

Deze archeologische gegevens vormen heel directe informatie die de afbakening als archeologische
zone van de historische dorpskern van Lemberge vereenvoudigen. Daarvoor moeten drie elementen
in rekening genomen worden: de cartografische gegevens, de landschappelijke situatie en de
archeologische resultaten. Het dorp van Lemberge kan geklasseerd worden als een dubbele kern met
een geclusterde bewoning met een verspreide bebouwingsdichtheid. Op de kaart van Ferraris staat de
westzijde van het dorp benoemd met het toponiem Poelstraete (fig. 42). De poel waarnaar hier
verwezen wordt is op het gereduceerd kadaster niet meer aanwezig, maar is gesitueerd op het
driehoekige perceel met het toponiem Den Driesch (fig. 44). Er zijn verschillende argumenten om de
bewoning daar niet als een apart gehucht te zien maar als een deel van de historische dorpskern van
Lemberge. Het historische wegenpatroon zoals reeds op de 18de-eeuwse kaarten van Villaret en
Ferraris te zien is, is nog steeds bewaard. Het bestaat uit de Burgemeester Maenhautstraat, de
noordelijk gelegen Vatestraat die de verbinding maakt met de dries en waarlangs twee sites met
walgracht zijn gelegen. De dries ligt aan de Steenstraat, die iets verder naar het westen aftakt in de
Driesstraat. Aan de zuidzijde ten slotte ligt de Burgemeester Van Gansberghelaan, die echter voor het
grootste deel buiten de dorpskern valt, op het oostelijke stukje ten zuiden van de kerk na. Binnen deze
afbakening valt het open akkerland op waardoor het Aldegondiswegeltje loopt. Deze wegel strekt zich
nog verder uit, dwarst de Steenstraat en loopt door naar het zuidwesten tot het aansluiting vindt met
de Poelstraat.

De aldus bekomen afbakening omvat dus de beide kernen met enerzijds de kerk en anderzijds de dries.
Archeologisch is aangetoond dat in het gebied ten westen van de kerk, dat tot voor kort nog open
akkerland was en dat op alle cartografische bronnen tot de 18de eeuw ook als dusdanig staat
weergegeven, in de Merovingische periode een nederzetting gelegen was die zicht uitstrekte
langsheen de Aldegondiswegel (fig. 43-44). Deze zone van vroegmiddeleeuwse bewoning vormt de
verbinding tussen de twee kernen. Artisanale resten aan de noordoostelijke kerkzijde tonen tevens
aan dat er ook in die zone vroegmiddeleeuwse occupatie was. Over de tweede kern van Lemberge
rondom de dries is er geen archeologische informatie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 51 van 84

Figuur 44: Mogelijke afbakening als archeologische zone van de historische dorpskern van Lemberge op de Atlas der
Buurtwegen (1841). In stippellijn staan alternatieve afbakeningen aangeduid.

4.4.4 Merendree

Merendree, een deelgemeente van Nevele, is gelegen in de zandstreek, ten westen van Gent. Net als
Lemberge is Merendree een historische dorpskern met vroegmiddeleeuwse oorsprong die vanwege
meerdere archeologisch projecten van het laatste decennium een interessant voorbeeld vormt dat
inzicht geeft over de problematiek van het ontstaan en de ruimtelijke evolutie van een dergelijk dorp.

Merendree is een watertoponiem, mogelijk van voor-Germaanse oorsprong89. Villa Merendra was
vermoedelijk reeds in de 7de eeuw door een gift van de fiscus Marca door koning Dagobert aan Sint-
Amandus eigendom geworden van de Sint-Baafsabdij. De Sint-Radegundiskerk, voor het eerst vermeld
in 1171, is een driebeukige romaanse bidplaats waarvan de oudste delen opklimmen tot de eerste helft
van de 12de eeuw90. Het Liber Traditionum van de Gentse Sint-Baafsabdij zou reeds de aanwezigheid
van een basilica vermelden voor 748 n. Chr. 91, wat gezien de patroonheilige — Radegundis zou een
Frankische prinses uit de 6de eeuw geweest zijn — niet onmogelijk is.

89 De Brabandere et al. 2010, 166.
90 Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Parochiekerk Sint-Radegonde [online],
91 De Clercq 1997, 33.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 52 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 45: Topografische kaart van Merendree en omgeving.

Er zijn reeds heel wat archeologische waarnemingen en onderzoeken gebeurd in en rond de dorpskern
van Merendree92. Oorspronkelijk ging het enkel om vondsten uit de Romeinse periode, die wijzen op
het belang van de plaats in die periode. Op basis van prospecties, luchtfotografische waarnemingen,
toevalsvondsten en archeologisch onderzoek blijkt duidelijk dat ten noorden en noordoosten van het
dorp een uitgebreide Romeinse site aanwezig is. Waarschijnlijk betreft het een vicus mogelijk met
heiligdom en eventueel een castellum, gesitueerd langsheen de Romeinse verbindingsas die liep van
Blicquy in het zuiden, over Kerkhove, Kruishoutem, Merendree en Aalter naar Aardenburg in het
noorden93. Het belang van deze plaats in de Romeinse periode heeft waarschijnlijk een rol gespeeld in
de vroege ontwikkeling van Merendree als vroegmiddeleeuwse kern. Er zijn aanwijzingen van
Germaanse aanwezigheid in de 4de of 5de eeuw, die zouden kunnen wijzen op een vorm van
continuïteit94. Zeker is dat er een belangrijke nederzettingskern aanwezig was in de 8ste eeuw, met de
vermelding van de villa Merendra en van een basilica, waarschijnlijk de Sint-Radegundiskerk.

Recent archeologisch onderzoek heeft resten aangetoond van bewoning uit de vroege (zowel uit de
Merovingische als uit de Karolingische periode) en uit de volle middeleeuwen (10de-12de eeuw) (fig.
46)95. Het gaat zowel om huisplattegronden uit al deze periodes als om erfstructuren zoals greppels,
kuilen en waterputten. Op basis van de huidige kennis kan een eerste beeld geschetst worden van de
evolutie van deze nederzetting doorheen de middeleeuwen. Hoe de overgang tussen de Romeinse
periode en de vroege middeleeuwen (4de tot 6de eeuw) verliep, zowel ruimtelijk als structureel, is
momenteel niet te achterhalen. Zeker vanaf de 7de eeuw is er bewoning iets ten noordoosten van de
kerk, die op basis van de huidige archeologische kennis iets buiten de nederzetting gesitueerd was. De
bewoningskern loopt door over de 8ste en 9de eeuw tot in de volle middeleeuwen. Het
bewoningsareaal lijkt ten zuiden begrensd te zijn door een brede gracht die waarschijnlijk Romeins is
van oorsprong. Ten zuiden ervan is er geen bewoning geattesteerd bij proefsleuvenonderzoek. Ook
duidelijk is dat de bewoning in de volle middeleeuwen zich uitbreidde in noordwestelijke richting,

92 Zie de Centrale Archeologische Inventaris.
93 De Clercq 2009, 252-255, 375-377, 390-391.
94 De Clercq 1997, 32-33.

95
De Logi 2015; De Logi et al. 2013; De Logi & Van Cauwenbergh 2011; Vanhee & Hoorne 2005.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 53 van 84

terwijl er ook bewijzen zijn van wat verder buiten de kern gelegen bewoning. In de laatmiddeleeuwse
periode (13de-15de eeuw) verdwijnt deze nederzettingsconcentratie ten noordoosten van de kerk
volledig. Waarschijnlijk verschuift de bewoningskern naar de zone ten westen van de kerk, de zone
waar de dorpsbewoning gesitueerd is in de 18de eeuw, zoal te zien is op de kaarten van Villaret en
Ferraris (1771-1778).

Figuur 46: Dorpskern van Merendree op de kaart van Ferraris (1771-1778), met aanduiding van de evolutie van de
bewoning in de loop van de middeleeuwen. Blauw: zones met archeologisch onderzoek; geel: nederzettingszone in de
vroege middeleeuwen ten noordoosten van de Sint-Radegundis-kerk (7de-9de eeuw); lichtgroen: uitbreiding van de
bewoningskern naar het noordwesten in de volle middeleeuwen (10de-12de eeuw); donkergroen: late middeleeuwen,
verschuiving van de bewoning naar de kern ten westen van de kerk.

Dit voorbeeld van Merendree duidt de complexiteit aan van sommige historische dorpskernen, en
vooral de problematiek van het feit dat de cartografische weergaves van de dorpen op het einde van
het Ancien Régime en in de 19de eeuw vaak totaal geen weergave zijn van hun historische evolutie.
Omdat dit voor Merendree ruimtelijk nog verder moet uitgezocht worden, waarvoor binnen het kader
van dit rapport geen tijd was, wordt hier echter nog geen voorstel tot afbakening weergegeven.

4.4.5 Kaprijke

Kaprijke is een mooi voorbeeld van een historische kern die ontstaan is als stichting in een periode van
sterke ontwikkeling, op het einde van de zogenaamde Ontginningsbeweging96. Dit pleindorp is
waarschijnlijk begin 13de eeuw gesticht als centrum van plattelandsdraperie97. Het had ooit
stadsrechten, verkregen in 1240 van gravin Johanna van Constantinopel en opnieuw kwijtgespeeld
eind 18de eeuw onder de Franse overheersing. Kaprijke is gelegen in het noorden van de provincie
Oost-Vlaanderen, op een smalle zandige verhevenheid.

96 Verhulst 1964.
97 Verhoeve & Verbruggen 2006, 214-216.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 54 van 84 Project historische dorpskernen 2018

De naam Kaprijke zou verwijzen naar het Gallo-Romeinse Capriacum, wat landgoed van Caprius
betekent98. Hierover zijn echter geen archeologische bewijzen voorhanden. Kaprijke komt pas in de
13de eeuw in de bronnen voor, met Caperic als oudste vermelding in 1233. Vanaf 1240, nadat Kaprijke
stadsrechten kreeg, ontstond er een bloeiende lakennijverheid. De ‘stede, keure ende vrijhede’
omvatte zowel het landelijke ‘Kaprijke Buiten’ als het ambachtelijke centrum, zogenaamd ‘Kaprijke
Binnen’. Ondanks de stadsrechten maakte het dorp echter geen stedelijke ontwikkeling door. Vanaf
1626, toen koning Filips IV Kaprijke in leenpand gaf, tot het einde van het Ancien Régime, is Kaprijke
een heerlijkheid99.

Figuur 47: Kaprijke op de basiskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van graaf de Ferraris (1771-1777)
(http://mapire.eu/en/map/fms-habsburg-netherlands/).

Het meest opvallende en typerende van Kaprijke, namelijk het Plein en de Dries, doen nog steeds
terugdenken aan de lakennijverheid (fig. 47). Oorspronkelijk was de dorpsweide driemaal zo groot als
het huidige plein. Hier bevonden zich de droogramen voor lakens, de waterputten voor de volders en
werkplaatsen voor de ververs. De zogenaamde ‘Dries’ is nu de brede Voorstraat. In deze straat vind je
nog de kleine doorgangen tussen de huizen naar de achterliggende weiden. Aan de bloeiende
lakennijverheid kwam een einde door de 16de-eeuwse godsdienstoorlogen. Vanaf de 17de eeuw kreeg
Kaprijke een meer agrarisch karakter100.

98 Gysseling 1960, 553.
99 Buyck 2002; de Potter & Broeckaert 1870-1872; De Vos 1978.
100 Buyck 2002; Verhoeve 1988; Verhoeve & Verbruggen 2006, 214-216.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 55 van 84

Figuur 48: 17de-eeuwse figuratieve kaart van Kaprijke (Buyck R. 2002; Rijksarchief Gent, Kaarten en Plans, nr. 24.829).

Het Plein van ongeveer 1 ha, gelegen ten oosten van de kerk en het 17de-eeuwse gemeentehuis, is
een restant van een groter rechthoekig plein van ongeveer 6 ha met invalswegen op de vier hoeken
(fig. 48). In de tweede helft van de 19de eeuw werd het zuidelijke deel van het Veld verkaveld voor de
bouw van een gemeenteschool en woningen. Er werd eigenlijk een tweede plein gevormd en een
volledig omlopende straat. Het noordelijke deel van het beboomde Plein met zijn unieke aanleg is nu
nog het grootste dorpsplein van Oost-Vlaanderen. Het Plein is beschermd dorpsgezicht. Voorheen was
het Plein bekend als het Veld en heeft vermoedelijk in tegenstelling tot de Voorstraat nooit een
driesfunctie gehad. In de middeleeuwen, toen Kaprijke uitgroeide tot een centrum van wolverwerking,
had het Veld een proto-industriële functie. In 1421 verleende de hertog Filips de Goede de toelating
om droogramen voor lakens op te stellen en werden er waterputten voor de volders gegraven. Na de
godsdienstoorlogen van de 16de eeuw verdween de lakennijverheid uit Kaprijke en werd vervangen
door vlas- of lijnwaadnijverheid. Op de oosthoek van het oorspronkelijke Veld stond op een omgrachte
opgeworpen heuvel de grafelijke windmolen. Het in 1651 gegraven Kaprijks Vaardeken verbond het
Veld met de Burggravenstroom naar Gent en Eeklo en moest de commerciële activiteit van het stadje
stimuleren. De verschillende zijden van de oorspronkelijke plaats verwijzen in hun vroegere
benamingen, Paardenmarkt, Botermarkt en Varkensmarkt, nog naar de voormalige jaarmarkten en
handelsfunctie van het plein als marktplaats. Deze straatnamen bleven nog bewaard tot na de Tweede
Wereldoorlog101.

101 Buyck 2002; de Potter & Broeckaert 1870-1872; Verhoeve 1988.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 56 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Aan de westzijde van het Plein staat het historische schepenhuis, erachter bevindt zich de grotendeels
18de-eeuwse Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk, voor het eerst vermeld in 1241. De eerste
vermelding van een schepenhuis is van 1425. In 1455 werd een nieuw schepenhuis gebouwd dat in de
loop der tijd verschillende malen is vernieuwd. Het huidige gebouw ten noordoosten van de kerk is
opgericht in barokstijl in 1662-1663102.

Figuur 49: Voorstel tot afbakening als archeologische zone van de historische dorpskern van Kaprijke op de topografische
kaart.

Omdat Kaprijke nooit een omwalling gekend heeft, kan deze niet gebruikt worden als afbakening van
de historische kern, zoals bij de meeste stedelijke kernen gebruikelijk is. De afbakening als
archeologische zone (fig. 49) zou de voornaamste historische gebouwen, straten en zones uit de
middeleeuwen omvatten, zoals die uit de kaarten van Ferraris (1771-1777) (fig. 47) en van het
gereduceerd kadaster (1853) kunnen afgeleid worden, en die min of meer de situatie weergeeft zoals
die op de kaart van Pieter Pourbus van het Brugse Vrije uit 1561 en van het Kaprijks Vaardeken van
omstreeks 1680 (fig. 48) staat weergegeven.

102 Buyck 1989; Devos 1982.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 57 van 84

4.5 VLAAMS-BRABANT

4.5.1 Scherpenheuvel

Scherpenheuvel, gelegen tussen Aarschot en Diest, is een dorp met een bijzondere morfologie die
samenhangt met zijn geschiedenis als bedevaartsoord. De vormgeving zoals op de historische kaarten
te zien is, dateert uit het begin van de 17de eeuw (fig. 50-51). De aartshertogen Albrecht en Isabella
lieten het bedevaartsoord voor Maria uitbouwen als dank voor de overwinning in 1604 van de Spaanse
troepen op de geuzenstad Oostende en als symbool van de kracht van het katholicisme en van de
Contrareformatie.

De historische kern van Scherpenheuvel ligt aan de oostzijde van een kleine Diestiaanheuvel (44 m
TAW) die boven het omliggende glooiende landschap uitsteekt en die gesitueerd is op de scheidingslijn
tussen de bodems van de zandleemstreek en de zandgronden van de Kempen. Iets ten noorden van
de heuvel begint de Demervallei. Lokaal wordt het gebied ontwaterd door meerdere beekjes en
grachtjes.

Het ontstaan van Scherpenheuvel zou te danken zijn aan een miraculeus houten Onze-Lieve-
Vrouwebeeld dat sinds de 14de eeuw op de heuvel werd aanbeden103. Het is echter niet duidelijk vanaf
wanneer deze plaats bedevaarders aantrok. Algemeen wordt aangenomen dat de oudste vermelding
van de bedevaartplaats uit 1304 dateert. De Zichemse kapelaan Lodewijk van Velthem schrijft in dat
jaar in zijn Spieghel Historiael over een wonderbaarlijke, in kruisvorm gegroeide eik op een plaats
tussen Zichem en Diest die talrijke bedevaarders aantrok. Het is echter niet bekend vanaf wanneer een
Mariabeeld aan de eik gehangen en vereerd werd in Scherpenheuvel. Dit moet evenwel zeker voor
1514 geweest zijn, toen er voor het eerst een legende over verscheen.

103 Deze historische tekst is een samenvatting van teksten uit:
tijd/toerisme/bezienswaardigheden/basiliek-van-scherpenheuvel;

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 58 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 50: Scherpenheuvel op de kaart van Ferraris (1771-1778).

Figuur 51: Gravure van Coenraad Lauwers uit 1661 (© archief parochie basiliek Scherpenheuvel).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 59 van 84

De vroegste bronnen die de plaatsnaam Scherpenheuvel expliciet vermelden, dateren uit 1604. Het
bedevaartsoord, zoals we het nu nog kennen, werd gebouwd in opdracht van de aartshertogen
Albrecht en Isabella in 1605, die het niet enkel lieten inrichten als bedevaartsoord met de bouw van
de basiliek in 1609, maar ook als een zelfstandige stad met eigen stadsrechten, en met stadsgrachten
en bastions. De hofarchitect van de aartshertogen, Wenceslas Cobergher, kreeg de opdracht om de
site van de kerk en de stad uit te tekenen en te laten bouwen, wat plaatsvond tussen 1609 en 1629.
Het grondplan kreeg de vorm van een ster met zeven punten die zowel naar de zeven smarten van
Maria als naar de zeven deugden verwees. De volledige site die voorzien werd, is zichtbaar op een
gravure uit 1661 met het ontwerp van Scherpenheuvel door Coenraad Lauwers (fig. 51).

De kern van Scherpenheuvel omvatte aldus de O.-L.-Vrouwbasiliek centraal met daar rond het
zevenhoekige park, het oratorianenklooster aan de oostzijde en twee parallelle straten met bebouwing
aan de westzijde. Het geheel werd oorspronkelijk verdedigd door zeven bastions en voorzien van drie
stadspoorten, richting Zichem, Leuven en Diest.

Figuur 52: Schematisch plan van de opgravingen uit 2004-
2006: 1=aanwezige gebouwen; 2=opgegraven muren;
3=reconstructie muren (Bogaerts 2006).

In Scherpenheuvel werd tot op heden weinig archeologisch onderzoek verricht. De eerste
‘opgravingen’ werden uitgevoerd door Janssens in opdracht van kanunnik De Vijverman, pastoor van
Scherpenheuvel in het voorjaar van 1957104. De opgraving omvatte één lange sleuf waarbij de volledige
rechtervleugel van het voormalige oratorianenklooster werd blootgelegd. Twee kleinere putten
werden aangelegd op de plaats van de binnenkoer maar de resultaten ervan zijn niet gekend.

Recenter archeologisch onderzoek gebeurde in 2004 en 2006 naar aanleiding van het opstellen van
een ruimtelijk structuurplan voor de stad Scherpenheuvel-Zichem105. De zone van dit voormalige
klooster zou worden aangeduid als achterzone bij de basiliek (fig. 52). Het onderzoek had tot doel te

104 Lemmens & Verachten, 2006.
105 Bogaerts 2006a en b.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 60 van 84 Project historische dorpskernen 2018

kijken of het klooster zich wel degelijk op deze plaats bevond en hoe de eventuele resten konden
ingepast worden bij een herinrichting. In 2004 zijn er twee proefputten aangelegd: een eerste naast
de zogenaamde bakkersoven in lijn met de centrale poortdoorgang. Een tweede werd aangelegd vlak
achter de 19de-eeuwse aanbouw vlakbij de zij-ingang van het gebouw106. In 2006 werden vijf
proefsleuven haaks op de noordelijke vleugel aangelegd.

Figuur 53: Zicht op Scherpenheuvel in 1651, in de marge van een kaart door landmeter Joris Sybil
(Archief Abdij van het Park te Heverlee: Typographieboeck T B, fol. 197).

De resultaten en besluiten van het onderzoek107 tonen aan dat het klooster zich zeker op deze locatie
bevond hoewel er op het volledige terrein vervuilde grond met stortafval en bouwpuin lag. Deze laag
werd gebruikt om het volledige terrein te nivelleren. De resten ervan verkeerden in een degelijke staat.
Het klooster zou niet volledig zijn uitgevoerd zoals het getekend is op de gravure van Coenraad Lauwers
(fig. 51). Voorlopige kan men stellen dat de noordelijke vleugel (Quartier vande Patres) wel degelijk
werd gebouwd, maar dat het bestaan van de zuidelijke vleugel (Quartier vande Heren) niet zeker is108.
De resten van de vijver zijn niet alleen in het hedendaagse landschap te herkennen, maar het
oorspronkelijke profiel ervan was ook duidelijk in de sleuf te zien. Van de tuinindeling zoals ze werd
afgebeeld op de iconografie heeft men niets teruggevonden (fig. 50, fig. 53).

Een afbakening van de historische dorpskern van Scherpenheuvel lijkt op zich eenvoudig, maar er moet
echter niet enkel rekening gehouden worden met de structuur van de in 1604 gestichte stad, maar ook

106 Planaanpassing door Daisy Van Cothem en Wiebrecht Storme (tekencel OE).
107 Bogaerts 2006b, 60.
108 Deze vleugel is niet afgebeeld op de kaart van Ferraris (fig. 50).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 61 van 84

met eventueel oudere elementen die nog in het landschap aanwezig zijn. Daarom zullen ook de wijk
ten westen en de twee sites met walgracht ten zuiden van de stad best in een afbakening worden
opgenomen (fig. 54). Ze zijn mogelijk de enige zones waar nog restanten van de middeleeuwse
nederzetting aanwezig zijn.

Figuur 54: Voorstel tot afbakening van de historische dorpskern van Scherpenheuvel op het
gereduceerd kadaster.

4.5.2 Opvelp

De dorpskern van Opvelp, deelgemeente van Bierbeek, is gelegen in de Haspengouwse leemstreek, op
de rand van de vallei van de Velpe ̶ een bijrivier van de Demer ̶ aan de samenvloeiing met de
Vloedgracht. Deze beek doorsnijdt een grote, natuurlijk goed gedraineerde droge leemrug. De
dorpskern situeert zich ter hoogte van de kruising van de baan Leuven-Hoegaarden (Hoegaardsebaan)
met de Velpe. Typerend voor de ruimtelijke structuur is de 'Plaetse', een driesvormige verbreding ter
hoogte van deze kruising, met geconcentreerde bebouwing en direct erop aansluitend de
toegangsdreef tot het kasteel. De ruimtelijke structuur van het dorp werd in belangrijke mate bepaald
door de Velpe en door het nu verdwenen dorpskasteel, de zetel van de heerlijkheid van Velpe109 (fig.
55). Velp is oorspronkelijk een waternaam afgeleid van felwa 'wilg' met het Germaanse suffix -apa
'water', dus 'wilgenbeek'. 'Op' betekent stroomopwaarts, in tegenstelling tot het stroomafwaarts
gelegen Neervelp. Velp duikt reeds op in 9de-eeuwse documenten, maar de splitsing tussen beide zou
reeds een vroegmiddeleeuwse oorsprong hebben. Opvelp wordt voor het eerst vermeld in 1153 als
Uellepa 110.

In de 12de en 13de eeuw was deze heerlijkheid in handen van het riddergeslacht van Velpe, vazallen
van de hertog van Brabant. Na hun uitsterven kwam de heerlijkheid achtereenvolgens in het bezit van
Godfried van Harduemont (1351) en van Jean II de Glimes, heer van Bergen-op-Zoom (ca. 1442), ook
bekend als Jean de Bergues, die in 1460 tevens de heerlijkheid Molenstede verwierf. Hun gezamenlijke

109 Agentschap Onroerend Erfgoed 2018: Dorpskern Opvelp [online],
110 Gysseling 1960, 769, 1001.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 62 van 84 Project historische dorpskernen 2018

oppervlakte stemde vrijwel overeen met de huidige deelgemeente Opvelp111. Jean de Bergues was de
voornaamste raadgever van Filips de Goede en kanselier van de Orde van het Gulden Vlies, zijn zoon
Henri de Bergues werd later bisschop van Cambrai. Het kasteel werd verwoest tijdens de Brabantse
omwenteling in 1789, waarschijnlijk de oorsprong van het toponiem ‘Verbrande Toren’. Tussen 1840
en 1858 begon de versnippering van het kasteeldomein onder verschillende eigenaars.

Figuur 55: Kaart van Villaret (1745-48), waarop de ruimtelijke structuur van Opvelp duidelijk zichtbaar is, bestaande uit het
kasteel, het hof van Opvelp, de Sint-Lambertuskerk en de ‘Plaetse’.

Het kasteel van Opvelp gaat waarschijnlijk terug op een oudere burcht. In de tuin van het kasteel is
mogelijk nog een relict van een castrale motte aanwezig. Het kasteel was ingeplant aan de voet van
een kleine heuvelrug, die de scheiding vormde tussen de vallei van de Velpe en haar oostelijke
vertakking, de Vloedgracht. De Ferrariskaart (1771-1778) toont de kasteelsite met de kasteelhoeve op
het neerhof, het hof van Opvelp, voor het eerst vermeld in 1496 (fig. 56). Het domein werd in het
zuiden begrensd door de 'gemeynte'. Deze strook gemene weidegronden vormde een ca. 700 meter
lang broekgebied dat zich over beide oevers van de Velpe uitstrekte. Ter hoogte van een pleinvormige
verbreding genaamd de 'Plaetse', waarschijnlijk in oorsprong een dries of ‘green’, bevindt zich de
oudste bebouwing. Een 17de-eeuwse kaart situeert er de gemeenschappelijke voorzieningen die
onder het gezag van de heer ressorteerden: het paenhuys, backhuys, schuttershuys en het huis van de
dienaar. Iets meer zuidwaarts liggen pastorie en kerk. Ten zuiden ervan bevindt zich de kerk. Zijn
excentrische ligging, op de grens van het dorp en van het oudste akkergebied, vlakbij het dorpskasteel,
laat vermoeden dat het oorspronkelijk om een eigenkerk ging.

De dorpskerk heeft sinds 1976 Sint-Antonius Abt als patroonheilige, maar was daarvoor toegewijd aan
Sint-Lambertus. Deze 7de-eeuwse bisschop van Maastricht was een populaire heilige. Hij is de
schutspatroon van 46 Vlaamse parochiekerken, waarvan talrijke met een vroegmiddeleeuwse
oorsprong. Het huidige classicistische gebouw bevindt zich op de funderingen van de oude romaanse

111 Vanhove 1983.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 63 van 84

kerk112. Het patronaat was tot de Franse Revolutie in het bezit van de abdij van Maagdendal in Oplinter,
die de kerk en de eraan verbonden tienden in 1223 verworven had van dorpsheer Goswin113.

Figuur 56: Opvelp op de kaart van Ferraris (1771-78), met projectie van de waterlopen.

Archeologisch is er tot nu nog niet veel geweten over Opvelp. Buiten een reeks onduidelijk sporen
(cropmarks) op luchtfoto’s in de directe omgeving van de dorpskern114, zijn enkel de resultaten gekend
van een recent proefsleuvenonderzoek ter hoogte van de Verbrande Toren, gelokaliseerd aan de
toegangsdreef naar de kasteelsite115. Hierbij werden resten aangetroffen uit de prehistorie, de
Romeinse periode en de middeleeuwen. Het betreft onder meer een losse vondst van een bronzen
bijltje uit de bronstijd, een kuil met aardewerk en vuurstenen werktuigen, waarschijnlijk uit het midden
tot laat-neolithicum, enkele kuilen met Romeins aardewerk en algemeen in de middeleeuwen
gedateerde kuilen met grijs aardewerk en verbrande leem116. De verrassende veelzijdigheid van de
aangetroffen sporen en resten wijst op een langdurige aantrekkingskracht van dit gebied aan de
samenvloeiing van de Velpe en de Vloedgracht. De lokalisatie van deze historische dorpskern op deze
plaats hoeft dan ook niet te verwonderen.

Opvelp vormt een goed voorbeeld van een historische dorpskern die op een strategisch interessante
plaats in het landschap is ingeplant, gegroeid uit de aanwezigheid van een eliteplaats, vanaf de volle
middeleeuwen een kasteel dat waarschijnlijk teruggaat op een domeincentrum. Door zijn goede ligging
heeft de dorpskern zich nooit echt verplaatst en lijkt het erop dat de ruimtelijke structuur, met de
woonkern rond het driesplein, het kasteel in het oosten en de kerk in het zuiden, mogelijk al van
vroegmiddeleeuwse oorsprong is. De afbakening van de historische dorpskern als archeologische zone
lijkt daarom gemakkelijk te realiseren, al moet rekening gehouden worden met de aanzet van de
kouter ten zuiden van de kerk en het kasteel, waar het zeker niet uitgesloten is dat zich daar de

112 Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Parochiekerk Sint-Antonius Abt met kerkhof [online],
113 Wauters 1876, 88-98.
114 Centrale Archeologische Inventaris.
115 CAI-ID 212295.
116 Willems et al. 2015.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 64 van 84 Project historische dorpskernen 2018

oorsprong van de vroegmiddeleeuwse nederzetting bevindt (fig. 57: rode volle lijn). Om deze reden
zou deze zone best eveneens in de afbakening opgenomen worden (fig. 57: rode stippellijn).

Figuur 57: Voorstel tot afbakening van de historische dorpskern van Opvelp, geprojecteerd op het 19de-eeuwse kadaster
van Popp.

4.6 WEST-VLAANDEREN

4.6.1 Ettelgem

Ettelgem ligt langs de ‘Zandstraat’, 2 km ten oosten van het historisch centrum van Oudenburg. De
‘Zandstraat’ verbindt Oudenburg met Brugge en Aardenburg en ligt op een dekzandruggencomplex,
dat zich uitstrekt van Gistel in het westen over Maldegem tot Stekene in het oosten. De weg wordt als
een Romeins diverticulum geïnterpreteerd, maar is vermoedelijk ouder. Ettelgem manifesteert zich als
een straatdorp (‘Zandstraat’) met twee kerken (fig. 58). De oude kerk ̶ met romaanse trekken -̶
bevindt zich westelijk langs een zijstraatje van de ‘Zandstraat’.

Adlingehem wordt voor het eerst vernoemd in 1028, maar is ouder op basis van het Germaanse
nederzettingstoponiem -ingahem. Ook het Sint-Eligiuspatrocinium van de kerk wijst op een hoge
ouderdom. Ettelgem is ontstaan uit Roksem, dat al in 745 wordt vernoemd in de bronnen en is
eveneens bezit van de Sint-Bertijnsabdij uit Sint-Omaars, een van de grootgrondbezitters in westelijk
Vlaanderen in de vroege middeleeuwen117. Vanuit onder andere Ettelgem werd de kustvlakte bedijkt
en ontgonnen.

117 Berings 1985, 44.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 65 van 84

Figuur 58: Ettelgem op de kaart van Ferraris (1771-1778): 1. De oude kerk, 2. De Lindenhoeve, 3. Plek waar de nieuwe kerk
ingeplant zal worden.

Een opgraving in 1998 langs de Oude Kerkstraat op een terrein ten zuiden van de oude kerk van
Ettelgem leverde interessante vondsten op. Behalve sporen uit de ijzertijd en de volle middeleeuwen
kwamen heel wat nederzettingssporen uit de vroege middeleeuwen aan het licht, waaronder een
hutkom. Een opmerkelijke vondst was een gouden tremissis uit de 2de helft van de 6de eeuw118.
Opgravingen in 1998 en 2001 in de oude dorpsschool langs de Dorpsstraat (‘Zandstraat’) reveleerden
eveneens vroegmiddeleeuwse sporen119. Verschillende nederzettingssporen, zoals grachttracés,
greppels, paalkuilen, enkele standgreppels en allerhande kuilen komen voor. Bij een werfcontrole in
1998 langs de Vijfwegstraat werden Romeinse, maar ook vroegmiddeleeuwse vondsten ingezameld120.

Voor zover nog niet volgebouwd, zijn op bepaalde plaatsen tussen de Oude Kerkwegel en de Oude
Kerkstraat op de luchtfoto’s allerlei cropmarks te zien121. De spreiding van de bebouwing op de
Ferrariskaart wijst er op dat het dorp zich in de late middeleeuwen en de moderne tijd ontwikkeld
heeft langs de ‘Zandstraat’. Slechts één omgrachte hoeve, de Lindenhoeve, ten noorden van de straat,
sluit aan op de bebouwing. Of dit een reminiscentie is van een herenhoeve is onduidelijk. Enkel de
ligging tegenover de oude kerk zou een aanwijzing kunnen zijn. Ten zuidoosten van de oude kerk wijst
een andere anomalie in de percelering op een mogelijke link.

118 Hollevoet 2003.
119 Patrouille & Vanhoutte 2002.
120 Hollevoet 2003, 91.
121 Hollevoet 2003, 91.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 66 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Een afbakening als historische dorpskern is enerzijds gebaseerd op de bewoning langs de Zandstraat
en anderzijds op de nederzetting Ettelgem en de gerelateerde archeologische en luchtfotografische
sporen uit de vroege en volle middeleeuwen (fig. 59).

Figuur 59: Mogelijke afbakening van de historische dorpskern Ettelgem op de Atlas der Buurtwegen.
1. zone van vroegmiddeleeuwse sporen ten zuiden van de oude kerk; 2. De Lindenhoeve; 3. Plek waar de nieuwe kerk in
1900 zal ingeplant worden; 4. Dorpsschool; 5. Cropmarks; 6. Vijfwegstraat.

Ettelgem ligt trouwens niet geïsoleerd maar te midden een concentratie van -(inga)haim-toponiemen,
die de vroegmiddeleeuwse ontginning van een aanzienlijk gebied verraden. In Roksem, Zerkegem,
maar ook in Oudenburg zijn trouwens al op verschillende plaatsen andere vroegmiddeleeuwse
vondsten gedaan. Van hieruit waren ook de aangrenzende polders een potentieel wingewest.

4.6.2 Eggewaartskapelle

Het dorp Eggewaartskapelle is gelegen in de polders van de Westhoek, ongeveer 5 km ten zuidwesten
van Veurne, waarvan het een deelgemeente is. In 1114 wordt Egkefridi Capella vernoemd, de oudste
vermelding van Eggewaartskapelle. In 1121 is er sprake van ecclesia dicta Eggafridi Capella. Later
volgen nog verschillende vermeldingen122. Een grootgrondbezitter sticht op het grondgebied van
Steenkerke een gemeenschap met kapel, die als Eggewaartskapelle wordt afgesplitst van Steenkerke.
De kapel valt, net als de moederparochie onder het patronaat van Sint-Bertijns uit Sint-Omaars, die er
in 1121 een proosdij installeerde, die reeds in 1297 wordt opgedoekt.

122 Huyghebaert 1960.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 67 van 84

Figuur 60: DHM Van Eggewaartskapelle, met projectie van het modern kadaster. Vooral in het noordelijk gedeelte vallen
nog heel wat landschappelijke sporen op. De bebouwing heeft in het zuidelijk gedeelte heel wat uitgewist.

In het kadaster van Eggewaartskapelle valt een ruime ovale vorm op, die door het DHM en enkele
luchtfoto’s bevestigd wordt (fig. 60). De site is gesitueerd in een bocht van de
Knollestraat/Reigaardsdijk, die in de 2de helft van de 10de eeuw wordt gesitueerd123 en meet 140 op
250 m. Op het DHM is zelfs een spoor te zien van een buitenwal, in combinatie met een gracht. De
vraag kan gesteld worden of de parochie niet gesticht is in een bestaande, beveiligde wijkplaats, die
men collectief kon verdedigen tegen indringers. In de noordelijke helft van de ovale site is de verlande
omgrachting van een site met walgracht of een motte te zien (fig. 61). Door een recente opgraving
wordt de indruk versterkt dat het wel degelijk om een motte gaat, waarop op het einde van de 13de
eeuw een steenbouw staat; het is m.a.w. een latere inplanting binnen een oudere site. In de
grachtvulling is een sprekend puinpakket aangetroffen124.

Eggewaartskapelle komt over als een straatdorp, ingeplant op een straat (naar Zoutenaaie), die haaks
op de dijk stond. Deze straat is plaatselijk ontdubbeld125. De archeologisch-historische vraagstelling
betreft de oudste verschijningsvorm van de site; de ovale nederzettingsvorm is tot op heden niet
verklaard. Bij toekomstige ontwikkelingen moet hier dan ook rekening mee gehouden worden. Een
afbakening als archeologische zone moet dan ook zeker de ovale vorm ten noorden van de dorpskern
meenemen.

123 Termote 2011b, 19-21.
124 Cox et al. 2012.
125 Termote 2011a, 100-101.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 68 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 61: Op een recente luchtfoto is het noordelijk gedeelte van het dorp nog ongerept. Zowel de aflijning van de
nederzetting als de sporen van een verlande gracht rond een wooneiland vallen op.

4.6.3 Wulveringem-Vinkem

Wulveringem en Vinkem liggen een vijftal kilometer ten zuiden van Veurne, in de Westhoek. Samen
met Alveringem, Houtem en Leisele situeren ze zich op de noordrand van het Plateau van Izenberge,
een vruchtbaar zandleemplateau, dat grenst aan de polders. Deze Germaanse nederzettings-
toponiemen -haim en -sali verwijzen naar een oorsprong in de vroege middeleeuwen. Wulveringem
wordt evenwel slechts in 1119, dan wel in 1128 voor de eerste maal vermeld, Vinkem in 1174. De kerk
van Wulveringem, die nog duidelijke romaanse kenmerken vertoont, is toegewijd aan O.-L.-Vrouw, die
van Vinkem aan Sint-Audomarus126. Dit verwijst opnieuw naar Sint-Omaars en de Sint-Bertijnsabdij,
net zoals dat bij Ettelgem en Eggewaartskapelle het geval is. Ook de kerk van Wulveringem is bezit van
deze abdij. Opnieuw komt aldus de vroegmiddeleeuwse connectie in beeld die reeds bij het voorbeeld
van Ettelgem geschetst is.

De kerken van Wulveringem en Vinkem zijn maar 500 m van elkaar verwijderd (fig. 62; fig. 63: 1 en 8).
Deze vaststelling, de hoekige scheidingslijn en de doorlopende grenzen suggereren dat ze ooit één
geheel vormden, en dat de splitsing in twee parochies met kerk pas later gebeurde. Door de
lintbebouwing langs de Gouden Hoofdstraat, de huidige hoofdstraat is dat nu alleszins een feit. Rond
de beide dorpen is een snoer aan walgrachtsites ontstaan (fig. 62). Vinkem aan de oostzijde, is een
straatdorp (Vinkemstraat), aansluitend op de kerk. Ten oosten ervan ligt het Kapelhof, mogelijk de
woonst van de lokale heer, al komt hiervoor ook de locatie in aanmerking van het kasteel de

126Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Vinkem en Wulveringem [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/121079
en 121080 (geraadpleegd op 20 maart 2018).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 69 van 84

Moucheron, ten zuidwesten ervan127 (fig. 63: 2 en 4). Wulveringem aan de westzijde, is eveneens een
straatdorp. De Wulveringemstraat vormt de bewoningsas. De kerk ligt ten zuiden, het kasteel ten
noorden. Alle elementen zijn voorhanden om er een heraangelegde mottesite in te zien128.

Figuur 62: Wulveringem-Vinkem op de kaart van Ferraris.

Op het perceel, net ten noorden van de kerk van Vinkem zijn recent opgravingen uitgevoerd, waarbij
een Romeins gebouw en enkele brandrestengraven aan het licht zijn gekomen129 (fig. 63: 3). De
afbakening van een mogelijke archeologische zone heeft ook een nieuwe impuls gekregen door enkele
recente metaaldetectievondsten van Merovingische objecten. Ze werden eveneens op de percelen ten
noorden van de kerk van Vinkem en de Gouden Hoofdstraat aangetroffen130 (fig. 63: 5-7). De aard van
de vondsten is dusdanig dat er kan gesproken worden van een Merovingische begraafplaats, die
meteen de belofte van Merovingische bewoning in de onmiddellijke omgeving in zich houdt. Voor de
aflijning van de dorpskern(en) als Archeologische Zone worden beste beide kernen samen genomen,
inclusief de hierboven vermelde sites de relevant zijn voor het begrijpen van de ontstaansgeschiedenis
van deze dorpen (fig. 64).

127 Termote 2011a, 208-209.
128 Termote 2011a, 234-235.
129 Mondelinge mededeling Sam De Decker (OE).
130 Zie Centrale Archeologische Inventaris.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 70 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Figuur 63: Topografische kaart van Wulveringem/Vinkem: 1. Kerk Vinkem; 2. Kapelhof; 3 Romeinse sporen; 4. Kasteel de
Moucheron; 5-7. Merovingische metaaldetectievondsten; 8. Kerk Wulveringem; 9. Motte Wulveringem.

Figuur 64: Mogelijke afbakening van de historische dorpskernen van Wulveringem en Vinkem op de Atlas der Buurtwegen
(1841).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 71 van 84

4.6.4 Sint-Baafs-Vijve

Sint-Baafs-Vijve is een deelgemeente van Wielsbeke en is gesitueerd ongeveer 4 km ten noordwesten
van Waregem. Het dorp ligt tegenaan een oude meander van de Leie, deels in de Leievallei en deels
op de zandlemige aangelanden (fig. 65). Ter hoogte van Sint-Baafs-Vijve wordt de doortocht van de
Romeinse weg van Bavay over Blicquy naar Aartrijke en Oudenburg verondersteld.

De eerste vermelding van ‘Vive’ in 965 is als beek ̶ de Gaverbeek ̶ die ter hoogte van Sint-Eloois-Vijve
in de Leie stroomt. De heerlijkheid Vive moet aan beide zijden van de Leie gesitueerd worden. In 1046
komt ene Lambertus de Vivia in de bronnen voor131. De vroegste vermelding van de kerk van Sint-
Baafs-Vijve ̶ in Fivia altare, quod dicitur Sancti Bavonis -̶ dateert uit 1141. Deze kerk behoort tot het
patrimonium van de Sint-Maartensabdij van Doornik. De vieringtoren en het transept van het huidige
kerkgebouw vertonen nog duidelijk romaanse stijlkenmerken132.

Figuur 65: Op de kaart van Ferraris is de dorpskern duidelijk. Van het kasteel, dat ongeveer ter hoogte van het sterretje was
ingeplant, is geen spoor meer te bekennen.

131 Warlop 1968.

132
Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Sint-Baafs-Vijve [online],

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 72 van 84 Project historische dorpskernen 2018

Sint-Baafs-Vijve presenteert zich als (ontdubbeld) straatdorp, haaks op de flankeerweg op de linker
Leie-oever (fig. 65). De kerk bevindt zich op het uiteinde ervan, net op de rand van de vallei. In 1503 is
er in Sint-Baafs-Vijve sprake van ‘een bunder mote met nederhof’. Op de kaart van J. Malbrancq uit
het begin van de 17de eeuw wordt Vivum castellum aangegeven133. Het kasteel lag op de linkeroever
van de Leie ter hoogte van de aloude Leie-overgang en zou vernield zijn tijdens de crisis na de moord
op de Vlaamse graaf Karel de Goede in 1127. Het zou reeds op het einde van de 10de eeuw een
belangrijk steunpunt van graaf Boudewijn IV geweest zijn in zijn strijd tegen de opstandige
Kortrijkzanen: Vivium castellum tunc temporis munitissimum134. Het wordt ook als het foncier van de
burggravie van Vijve aangeduid.

Figuur 66: Op de geofysische scan springt er o.a. een dubbele cirkel uit, die met een motte kan in verband gebracht worden
(uit: Verschelde 2016, 11).

In juli 2015 werd geofysisch onderzoek uitgevoerd in een via historisch onderzoek afgebakend gebied,
waarbij significante sporen van een mogelijk kasteel werden geconstateerd135. Daarbij kwam een
halfcirkelvormige structuur aan het licht met een diameter van 30 à 32 m. Ook een kleinere
(binnen)cirkel is deels merkbaar (fig. 66)136. Het gaat waarschijnlijk om de resten van een motte, de
belangrijkste kasteelvorm uit de volle middeleeuwen.

133 Benoit 2016, 16.
134 Warlop 1968, I, 119.
135 Uitgevoerd door ORBit (Onderzoeksgroep Ruimtelijke Bodeminventarisatie technieken - Universiteit Gent)

136
Verschelde 2016, 9-13.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 73 van 84

Wegens de relatie van het dorp met het kasteel en de ten noorden gelegen gronden lijkt het voor Sint-
Baafs-Vijve bij een afbakening van de historische dorpskern als archeologische zone belangrijk om deze
zones er in op te nemen, ook al zijn ze op het 19de-eeuwse kadaster van 1850 ver buiten het dorp
gelegen (fig. 67).

Figuur 67: Sint-Baafs-Vijve. Ten noorden van de dorpskern kan de kouter gesitueerd worden. Het sterretje markeert de
inplantingsplaats van het kasteel van ‘Vive’. Binnen de afbakening worden de dorpskern, de kouter en de kasteellocatie
samengebracht.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 74 van 84 Project historische dorpskernen 2018

5. BESLUIT
Vanuit archeologisch oogpunt geldt nog steeds de vaststelling dat dorpsarcheologie in Vlaanderen in
grote mate onbekend en afwezig blijft. Met dorpsarcheologie wordt verstaan een vorm van
archeologisch onderzoek in de kernen van de historische dorpen met vraagstellingen en resultaten die
bijdragen tot de kennis over het ontstaan en de ontwikkeling van deze kleine bewoningskernen in de
middeleeuwen. Vooral de dorpsgenese in de vroege middeleeuwen is momenteel in Vlaanderen één
van de grote kennishiaten in het archeologisch en historisch wetenschappelijk onderzoek.

Het is duidelijk dat het vaststellen van historische dorpskernen als Archeologische Zones (AZ)
essentieel is in het toekomstige beleid en beheer wat betreft dit kwetsbare archeologische erfgoed,
dat de laatste decennia in sneltempo aangetast wordt. Door de historische dorpskernen als
Archeologische Zones te erkennen, zoals voorzien in de beleidsbrief van de minister, is het mogelijk
een meer gericht beleid hieromtrent te voeren.

De eerste fase van het onderzoeksproject rond de historische dorpskernen omvat enerzijds de uitbouw
van een goede theoretische basis om het begrip historische dorpskern te definiëren en anderzijds een
volledige inventarisatie van alle 1057 historische dorpskernen in Vlaanderen. De grote variatie aan
dorpen, verspreid over een reeks regio’s met vaak heel verschillende landschappelijke kenmerken, kan
aldus in kaart gebracht worden. Het is het enige middel om tot een goed overzicht te komen van het
archeologische erfgoed dat deze historische dorpskernen te bieden kunnen hebben en hoe dit in het
archeologische beleid en beheer kan opgenomen worden.

De vroegmiddeleeuwse rurale nederzettingen hebben een lange ontwikkeling doorgemaakt die
resulteerde in de huidige dorpen, waarvan dan ook verondersteld wordt dat er een langdurige
continuïteit in situ is geweest. Met andere woorden, het huidige dorp zou zich bevinden op de plaats
van de oorspronkelijke nederzettingskern uit de vroege of volle middeleeuwen. Eén van de kernvragen
van het onderzoeksproject is dan ook of deze veronderstelde continuïteit in situ wel reëel is, en of er
niet voorbijgegaan wordt aan de dynamiek van nederzettingen in de vroege middeleeuwen, zeker
voorafgaand aan de oprichting van de kerk als het centrale punt. Een andere kernvraag betreft de
locatie van een dorp en zijn ligging in het landschap en welke relatie er tussen beide is. Wat zijn de
bepalende elementen hierin en in hoeverre worden die bepaald door de regionale
landschapskenmerken of door de periode waarin de nederzettingen zich tot dorp ontwikkelden.

De 17 voorbeelden van historische dorpskernen die als cases in dit rapport zijn opgenomen laten de
complexiteit zien van de ruimtelijke ontwikkeling van historische dorpskernen in verschillende
landschapstypes. Deze cases, waarvoor ten dele reeds archeologische informatie voorhanden is,
maken duidelijk dat het onmogelijk is om op een generieke manier af te bakenen, bijvoorbeeld op basis
van de vorm van de dorpskern op het 19de-eeuwse kadaster of de situatie op het einde van het Ancien
Régime zoals afgebeeld op de kaarten van Ferraris. Met andere woorden, de ruimtelijke structuur van
de dorpskernen zoals gekend uit de historische kaarten en bronnen, weerspiegelt heel vaak niet de
veronderstelde continuïteit in situ, en blijkt dat hoe ouder de oorsprong hoe minder waarschijnlijk die
ruimtelijke continuïteit is. Om tot een afbakening te komen die archeologisch relevant is, moet elk
dorp aldus apart geëvalueerd worden op basis van een corpus aan vraagstellingen, die betrekking heeft
op de oorsprong, de ontstaansgeschiedenis, de periode van ontwikkeling, de morfologie en het
landschap, gegevens die zijn opgenomen in de databank van de historische dorpskernen. Het gevolg
hiervan is wel dat per historische dorpskern die als AZ wordt voorgesteld, een individueel inhoudelijk
dossier moet gemaakt worden dat de volledige wetenschappelijke onderbouwing bevat. Dit is echter
een tijdrovend proces dat er zal voor zorgen dat slechts stapsgewijs historische dorpskernen zullen
kunnen voorgedragen worden om als AZ te worden vastgesteld.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 75 van 84

Daarom is naast een goed onderbouwde motivatie voor de afbakening van een dorpskern ook een
goed afwegingskader belangrijk, om de voorgedragen selecties aan dorpen te kunnen verantwoorden.
Hiervoor zullen verschillende elementen meegenomen worden. De voornaamste afwegingen zullen
betrekking hebben op de ouderdom (met betrekking tot de historische en wetenschappelijke
vraagstellingen), op de bewaring (goed bewaard, matig bewaard of slecht bewaard, dus hoe sterk is
de aantasting door recentere ruimtelijke ontwikkelingen) en op de bedreiging (hoe staat de kern
ingekleurd op het gewestplan en is er sterke aantasting te verwachten). In tweede instantie kan er bij
selectie gekeken worden naar een evenwicht in zowel het dorpstype (morfologie van de dorpsvorm),
het landschapstype waarin het zich bevindt als de spreiding binnen de provincies. Omdat
archeologische kennis binnen een dorp of binnen hetzelfde dorpstype in het omliggende landschap
belangrijk is om een afbakening goed te kunnen inschatten, zal ook deze info een afwegingselement
vormen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 76 van 84 Project historische dorpskernen 2018

6. BIBLIOGRAFIE
ALDERS G. 2007: Middeleeuwse oevermarkten in het Oer-IJ gebied en omgeving. In: LAMMERS
Y. (red.), 37ste Reuvensdagen - Samenvatting van de lezingen, Deventer, 11-12.

ANNAERT R. 2000: Het middeleeuwse Oud-Turnhout op het spoor. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op de
schop. Een archeologische kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 69-83.

ANNAERT R. & VERBEEK C. 1998: Opnieuw laat-middeleeuwse waterputten te Oud-Turnhout, Taxandria
N.R. LXXX, 185-189.

ANNAERT R. & VERVOORT R. 2003: De volmiddeleeuwse bewoningskern te Ouwen-Grobbendonk
(Antw.), Archaeologia Mediaevalis 26, 13-15.

ARTS N. 2000: Een verkennend archeologisch onderzoek bij de Sint-Bavokerk te Oud-Turnhout:
aanleiding, resultaten en aanbevelingen. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op de schop. Een archeologische
kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 63-68.

BENOIT F. 2016: Bodemonderzoek naar de middeleeuwse burcht van Vijve Deel 2: Historiek van de
Burcht van Vijve, West-Vlaamse Archeokrant, nr. 89, 14-21.

BERINGS G. 1985: Het oude land aan de rand van het vroegmiddeleeuwse overstromingsgebied van de
Noordzee. Landname en grondbezit tijdens de middeleeuwen, Handelingen van de Maatschappij
voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, n.r. XXXIX, 37-84.

BERINGS G. 1986: Les patronages de saints dans la vallée de l’Escaut. Esquisse d’une méthode de
recherche sur la christianisation, Revue du Nord, LXIX, 433-444.

BOGAERTS B. 2006a: Archeologisch proefonderzoek naar het Oratorianenklooster te Scherpenheuvel
2004-2006. In: DEGRYSE H. (red.), Archeologie 2006. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-
Brabant, Leuven, 16-18.

BOGAERTS B. 2006b: Survey archeologisch vooronderzoek. In: LEMMENS B. & VERACHTEN L. (red.), Niet
toevallig oratorianen in Scherpenheuvel, tentoonstellingscataloog, Scherpenheuvel, 60-61.

BRANS L. & THIELS C. 1968: Het landje Lummen, van voor 1203 tot 1792, gestencilde uitgave, Lummen.

BRENDERS F. 1973: Edegem: kerk van Buizingen, Archeologie 2, 84.

BRENDERS F. 1974: Archeologisch onderzoek naar de kerk van Buizegem. In: VAN PASSEN R.,
Geschiedenis van Edegem, Edegem, 984-985.

BUYCK R. 1989: Het stadhuis van Kaprijke, Symbool en hartslag van een boeiend verleden, Appeltjes
van het Meetjesland 40, 75-80.

BUYCK R. 2002: Kaprijke. Van middeleeuwse stad tot hedendaags agrarisch dorp (1240-2000),
Lembeke.

CALLEBAUT D. 1983: De topografische groei van Aalst of hoe een Zelhof een gebastioneerde stad werd.
In: Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens, Archaeologia Belgica 255, Brussel, 227-249.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 77 van 84

CARNIER M. 1999: De middeleeuwse parochie in het graafschap Vlaanderen tijdens de volle
middeleeuwen. Een overzicht, Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de
benaming Société d'Emulation te Brugge 136, 3-31.

CLAASSEN A. 1972a: Middeleeuwse burchten. Colloquium te Tongeren - 12 september 1970,
Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 17, 38-39.

CLAASSEN A. 1972b: Middeleeuwse en Romeinse put te Kaulille, Limburg LI, 164-170.

CONINX I. & CREEMERS G. 1988: IJzertijdbegravingen in een bedreigde zone. In: Een blik terug. Het
grafveld "De Roosen" te Neerpelt en de archeologie van Noord-Limburg, tent. cat., 24-25.

COX L., DE CLEER S., VAN REMOORTER O. & VANDEN BORRE J. 2012: Archeologische prospectie met ingreep
in de bodem Veurne (Eggewaartskapelle), Knollestraat, BAAC rapport 38, Gent.

CUYT G. 2000: Wijnegem van de vroege ijzertijd tot de middeleeuwen. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op
de schop. Een archeologische kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 39-48.

CUYT G. 2017 (red.): Wijnegem onder de grond. 50 jaar archeologie in Wijnegem, AVRA-monografie 4,
Wijnegem.

CUYT G., ANNAERT R. & WILLEMS J. 2017: Een grote Romeinse boerderij aan de Ruggeveldstraat-
Vuurkruisenlaan. In: CUYT G. (red.), Wijnegem onder de grond. 50 jaar archeologie in Wijnegem,
AVRA-monografie 4, Wijnegem, 105-111.

DATEMA R.R. 2017a: Herinrichting Charles Wellensplein en Dorpsstraat in Lummen. Een archeologie
nota, VEC nota 30, Sint-Michiels-Brugge.

DATEMA R.R. 2017b: Pastoor Frederickxstraat, Lummen. Een Archeologienota, VEC nota 109, Sint-
Michiels-Brugge.

DE BOE G. 1985: Het ontstaan en de ontwikkeling van de Romeinse “vicus” te Grobbendonk, Acta
Archaeologica Lovaniensia 24, 101-108.

DEBRABANDERE F., DEVOS M., KEMPENEERS M., MENNEN P., RYCKEBOER V., VAN OSTA H. & VAN OSTA W. 2010:
De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, Brussel-Leuven.

DE CLERCQ W. 1997: Onbekend is onbemind. De vroege middeleeuwen in het westen en het
noordwesten van Oost-Vlaanderen, gezien vanuit archeologisch perspectief, Handelingen van de
maatschappij voor geschiedenis en oudheidkunde, nieuwe reeks LI, 21-36.

DE GROOTE K. 2013: De stadswording van Aalst. Of hoe een Merovingische nederzetting uitgroeide tot
een laatmiddeleeuwse stad, M&L 32(1), jan.-feb. 2013, 4-32.

DE GROOTE K., MOENS J.& AMEELS V. 2012: Vroegmiddeleeuwse resten van ijzerproductie in de
dorpskern van Lemberge (O.-Vl.), Archaelogia Mediaevalis 35, 104-106.

DELARUELLE S., ANNAERT R., VAN GILS R., VAN IMPE L. & VAN DONINCK J. (red.) 2013: Vondsten vertellen.
Archeologische parels uit de Antwerpse Kempen, Turnhout.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 78 van 84 Project historische dorpskernen 2018

DE LOGI A., 2015: Merendree - Gerolfsweg. Archeologisch onderzoek - januari tot februari 2014, DL&H-
Rapport 16, Deinze.

DE LOGI A., HOORNE J. & VANHERCKE J. 2013: Merendree - Heilige Geeststraat. Archeologisch
vooronderzoek - januari 2013, DL&H-Rapport 6, Landegem.

DE LOGI A. & VAN CAUWENBERGH S. 2010: Archeologisch onderzoek Nevele - Merendreedorp. 4 mei tot
25 juni 2010, KLAD-Rapport 20, Aalter.

DE LOGI A. & VAN CAUWENBERGH S. 2011: Middeleeuwse bewoning in de dorpskern van Merendree
(Gem. Nevele, prov. O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 34, 51-54.

DE MEULEMEESTER J.1996: Morphogenèse du village médiéval: quelques examples des anciens Pays-
Bas méridionaux (Brustem, Borgloon, Tervuren, Luxembourg-ville, Conclusion). In: GABRE G., BOURIN
M., CAILLE J. & DEBORD A. (eds), Morphogenèse du village médiéval IXe-XIIe siècles, Cahiers du
Patrimoine 46, Montpellier, 33-44.

DE MULDER G., PEDE R. & JACOBS B. 2010: Een urnenveld uit de vroege ijzertijd en een nederzetting uit
de late ijzertijd-vroeg-Romeinse periode te Wijnegem/Blikstraat (provincie Antwerpen, België),
Lunula. Archaeologia Protohistorica XVIII, 93-99.

DE POTTER F. & BROECKAERT J. 1870-1872 (1973): Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost-
Vlaanderen, Arrondissement Eeklo, tweede deel Kaprijk, Kluizen, St.-Laureins, Lembeke, Maldegem,
Ste-Margriete, Gent.

DE RAYMAEKER A. & DOCKX C. 2016: Archeologienota: Het archeologisch bureauonderzoek aan de
Wijngaardstraat te Lummen, Studiebureau Archeologie, Kessel-lo.

DE SWAEF W . 1986: Vondsten uit de Romeinse en Merovingische periode te Erondegem,
Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, XXVI-1, 6-8.

DE VOS A. 1978: Op verkenning door Kaprijke, Ons Meetjesland 11, 19-24, 77-83 en 105-115.

DEVOS P. 1982: De gemeentehuizen van Oost-Vlaanderen, Band 1, Inventaris van het
kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, XVI-XVII, Gent, 491-496.

DEVILLE T., VAN DE VELDE E. & HOUBRECHTS S. 2011: Wachthaven te Wijnegem (gem. Wijnegem),
Definitief archeologisch onderzoek, Condor Rapport 14, Bilzen.

DEVROE A. & CLAESEN J. 2012: Archeologische prospectie met ingreep in de bodem. Wijnegem-
Merksemsebaan, Archebo-rapport 2012-12, Kortenaken.

ENGELS A. & VAN IMPE L. 1985: Het urnenveld op de Dorperheide te Kaulille, Archaeologica Belgica I, 2,
33-35.

ENGELS A. & VAN IMPE L. 1984: Grafveld uit de ijzertijd te Kaulille (Bocholt), Archaeologia Belgica 258,
Brussel.

GABRE G., BOURIN M., CAILLE J. & DEBORD A.(eds) 1996: Morphogenèse du village médiéval IXe-XIIe
siècles, Cahiers du Patrimoine 46, Montpellier.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 79 van 84

GAUTHIEZ B., ZADORA-RIO E. & GALINIÉ H. 2003: Village et ville au Moyen Age: les dynamiques
morphologiques, Collection perspectives Villes et Territoires 5/1, Tours.

GYSSELING M. 1960: Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en
West-Duitsland (vóór 1226). Digitale editie op http://www.wulfila.be/tw, Universiteit Antwerpen
2006.

GYSSELING M. & VERHULST A. 1969: Nederzettingsnamen en nederzettingsgeschiedenis in de
Nederlanden, Noord-Frankrijk en Noord-West-Duitsland, Taalgrens en kolonisatie 4, Leuven.

HOEBROEKS M. & WESEMAEL E. 2017: Nota Lummen – Meerlestraat Bouw van appartementen. Deel 1:
Verslag van de resultaten, Aron Rapport 375, Tongeren.

HOLLEVOET Y. 2003: Vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen nabij de Zandstraat te Ettelgem (stad
Oudenburg, prov. West-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen VII - 1999/2000, Zellik, 83-94

HOOGHE F. 2006: Van Baceroth tot Baasrode en Sint-Amands: evolutie van een Karolingisch domein
(8ste-15de eeuw), Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde,
vierde reeks, deel 25, Jaarboek 2006, Dendermonde, 7-156.

HOORNE J. & HEYNSSENS N. 2014: Lemberge – Burgemeester Maenhautstraat. Archeologisch
vooronderzoek – maart 2014, DL&H-Rapport 14, Deinze.

HUYGHEBAERT N. 1960: Prieuré de Notre Dame à Eggewaartskapelle, Monasticon Belge III, deel 1, 202-
203.

JANSSENS P. 1964: Het Merovingisch grafveld van Grobbendonk, Hades 3(7-8), 49-96.

JANSSENS P. 1966a: Het Gallo-Romeins grafveldje van Grobbendonk, Noordgouw 6, 53-71.

JANSSENS P. 1966b: Een Gallo-Romeinse grafurn uit Grobbendonk, Hades 15(5), 31-32.

JOLY S., CHIMIER J.-P. & FOURNIER L. 2014: L'archéologie dans le village: quelques exemples récents
d'opérations préventives en Val de Loir, Archéopages 40, 78-83.

LEMMENS B. & VERACHTEN L. (red.) 2006: Niet toevallig oratorianen in Scherpenheuvel,
tentoonstellingscataloog, Scherpenheuvel.

LEENDERS K.A.H.W. 1996: Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en
nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas-Schelde-Demergebied (400-1350). Een
poging tot synthese, Zutphen.

MAHÉ-HOURLIER N. & POIGNANT S. (eds) 2013: Archéologie du village. Archéologie dans le village dans le
nord de la France (5e-13e siècle), Mémoires publiés par l'Association française d'Archéologie
mérovingienne 29, Saint-Germain-en-Laye.

MERTENS J. 1976: Tombes mérovingiennes et églises chrétiennes. Arlon, Grobbendonk, Landen, Waha,
Archaeologia Belgica 187, Bruxelles.

MERTENS J., VAN IMPE L. & VANDERPIJPEN W. 1977: Het middeleeuws kerkhof van Ouwen, Conspectus
1976, Archaeologia Belgica 196, Brussel, 68-72.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 80 van 84 Project historische dorpskernen 2018

MILIS L. 1981: Kerstening en kerkelijke instellingen tot circa 1070. In: Algemene Geschiedenis der
Nederlanden, deel 1, Haarlem, 266-285.

MOENS J., AMEELS V. & DE GROOTE K. 2011: Archeologisch noodonderzoek naar het voormalige Hof van
Peene te Baasrode (Prov. O.-Vl.), Relicta 8, 47-82.

MOENS J., DE GROOTE K. & AMEELS V. 2017: Romeinse en vroegmiddeleeuwse sporen in de dorpskern
van Lemberge (Prov. Oost-Vlaanderen). Rapportage van de opgraving van een toevalsvondst (18 - 25
juli & 13 - 19 september 2011), Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed 76, Brussel.

MUIR R.1992: The villages of England, London.

MUIR R. 2004: Landscape Encyclopedia. A Reference to the Historic Landscape, London.

PACQUAY J. 1936: Lummen, Limburg 17, 210-213.

PATROUILLE E. & VANHOUTTE S. 2002: Vroegmiddeleeuwse aanwezigheid onder de speelplaats in
Ettelgem (Oudenburg, W.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis, 31-32.

PEDE R., JACOBS B. & DE MULDER G. 2011: Preventief archeologisch onderzoek langs de Blikstraat te
Wijnegem tijdens 2007-2009: overzicht van de resultaten uit de ijzertijd, AVRA Bulletin 11, 21-28.

PÉRIN P. 2004: The origin of the village in early medieval Gaul. In: CHRISTIE N. (ed.), Landscapes of
change. Rural evolutions in late Antiquity and the Early Middle Ages, Aldershot-Burlington, 255-278.

REYNS N. & BRUGGEMAN J. 2015: Bureaustudie. Archeologisch onderzoek zonder ingreep in de bodem.
Grobbendonk-Nijverheidsstraat-Vorselaarse baan (McCain Foods Belgium),Rapporten van het
archeologisch onderzoeksbureau All-Archeo bvba 286, Temse.

ROBERTS B.K. 1996: Landscapes of Settlement. Prehistory to Present, London.

SCHEERS S. 1996: Les statères bifaces du type Lummen-Niederzier, un monnayage Eburon antérieur à
la conquête Romaine. In: LODEWIJCKX M. (ed.), Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven,
87-94.

SCHLUSMANS F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg,
Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen
19N1, Brussel - Turnhout.

SLOFSTRA J., VAN REGTEREN ALTENA H.H., & THEUWS F.(eds) 1985: Het Kempenproject 2 een regionaal-
archeologisch onderzoek in uitvoering, Bijdragen tot de studie van het Brabantse Heem 27, Waalre.

STAELENS, G. 2009: Landbouwbedrijven uit de Vroege en volle middeleeuwen in het westelijk deel van
Binnen-Vlaanderen, Jaarboek Spanhiers 2008, 197-258.

STRIJBOS H. 1994: De middeleeuwse kerktoren van Kaulille, De Klaveren Heer 3(4), 5-23.

TERMOTE J. 2011a: Cultuurhistorische atlas van de Westhoekdorpen. Een historisch-topografisch
onderzoek van de dorpen in de Franse en Vlaamse Westhoek, Studie in opdracht van de Provincie
West-Vlaanderen, onuitgegeven rapport (herziene versie 2013), s.l.. https://www.west-
vlaanderen.be/overwvl/beleid_bestuur/gebiedsgerichte_werking/streekhuizen/streekhuis_esenkast
eel/documents/dorpenatlas%202013.pdf
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 81 van 84

TERMOTE J. 2011b: De bedijkingshistoriek van de IJzer- en de Handzamevallei. In: ZWAENEPOEL A. &
VERHAEGHE F. (red.), De broeken van de IJzer- en Handzamevallei, Hoeilaart, 17-32.

THEUWS F. 1989: Middeleeuwse parochiecentra in de Kempen 1000-1350. In: VERHOEVEN A. & THEUWS
F. (eds), Het Kempenproject 3. De middeleeuwen centraal, Bijdragen tot de studie van het Brabantse
Heem 33, Waalre, 97-216.

THEUWS F. 2011: De nederzettingsontwikkeling in de Middeleeuwen: een model en enige thema’s
voor toekomstig onderzoek. In: THEUWS F. & VAN DER HEYDEN 2011: De archeologie van de Brabantse
akkers. Toegelicht aan de hand van het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam in Veldhoven,
Themata 4, Amsterdam, 60-77.

THEUWS F. 2018: Rural cemeteries, cult places and community identities in the Central Middle Ages in
the Kempen regio (southern Netherlands). In: VAN OOSTEN R.M.R., SCHATS R., FAST K., ARTS N. &
BOUWMEESTER H.M.P. (eds), The urban graveyard. Archaeological perspectives, Urban Graveyards
Proceedings 2, Leiden, 219-238.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van
nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', VUB - SKAR-Rapport 5, Brussel.

ULENS R. 1930: Lummen, Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire du Limbourg 44, 194-198.

VANDEGEHUCHTE C., FEXER C., SMEETS, M. & VANSWEEVELT, J. 2008: Archeologisch vooronderzoek in het
kader van de verkaveling Bierkensveld te Kaulille (gem. Bocholt), Studiebureau Monumentenzorg,
Tessenderlo.

VANDENBERGHE S. & ASHTON-VANHERLE L. 1982: Onderzoek van laat-middeleeuwse waterputten te Oud-
Turnhout. In: Conspectus 1981, Archaeologia Belgica 247, Brussel, 141-145.

VAN DEN DORPEL A. & BEKE F. 2018: Een Merovingisch erf met resten van een verbrande
voedselvoorraad op een kouter van de Scheldevallei. Archeologische opgraving te Lemberge-
Merelbeke (O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 41, 204-210.

VANDEPUTTE O. (ed.) 2007: Gids voor Vlaanderen. Toeristische en culturele gids voor alle steden en
dorpen in Vlaanderen, Tielt.

VANDER SANDEN T. 1992: De kerk van Kaulille, De Klaveren Heer 1(2), 6-18.

VANDEVELDE J. & ANNAERT R. 2006: Archeologisch onderzoek Edegem-Buizegem 2005-2006, Intern
Rapport VIOE, Brussel.

VANDEVELDE J., ANNAERT R., LENTACKER A., ERVYNCK A. & VANDENBRUAENE M. 2007: Vierduizend jaar
bewoning en begraving in Edegem-Buizegem (prov. Antwerpen), Relicta 3, 9-68.

VANDEWALLE P. 2015: Patroonheiligen van de parochiekerken in het Graafschap Vlaanderen op het
einde van het Ancien Régime, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge 152
(1), 175-186.

VANGERVEN J. 2000: Een nieuw tipje van de sluier over "de kerkhistorie van de parochies Kaulille,
Hamont, Lille en Achel" opgelicht (deel 2), De Klaveren Heer 9, 4.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 82 van 84 Project historische dorpskernen 2018

VANHEE D. & HOORNE J. 2005: Een volmiddeleeuwse hoeve met explosieve verrassing in de
Molenkouterslag, Monumentenzorg en cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-
Vlaanderen, 180-181.

VANHOVE L. 1983: Opvelp: de agrarische structuur van een dorp en heerlijkheid toegelicht aan de hand
van een pachtcontract uit 1496, Belgisch centrum voor landelijke geschiedenis 77, Leuven.

VAN IMPE L. 1977: Sporen van oude akkersystemen in de Limburgse Kempen, Brabantse Oudheden 16,
101-109.

VAN PASSEN R. 1974: Geschiedenis van Edegem, Edegem.

VERBEECK H. 2010: Het oostelijk Gallo-Romeins grafveld te Grobbendonk (prov. Antwerpen), Relicta 6,
9-40.

VERBESSELT J. 1950-2001: De wording van de Parochiën. Het parochiewezen in Brabant tot het einde
van de 13de eeuw. Geschied- en oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant, 27 delen, Brussel.

VERHOEVE A. 1988: Het landschap van het meetjesland historisch bekeken, Werkgemeenschap
landschapsecologisch onderzoek, afdeling Vlaanderen, Laboratorium voor regionale geografie en
landschapskunde, RUG, Gent.

VERHOEVE A. & VERBRUGGEN C. 2006: Het Meetjesland. Bodem en landschap in historisch perspectief,
Belgeo 2006/3, 206-218.

VERHOEVEN A. & THEUWS F. (eds) 1989: Het Kempenproject 3. De middeleeuwen centraal, Bijdragen tot
de studie van het Brabantse Heem 33, Waalre.

VERHULST A. 1964: Het landschap in Vlaanderen in historisch perspectief, Antwerpen.

VERHULST A. 1967. Note pour servir à l’étude archéologique des villages désertés en Belgique, Studia
Historica Gandensia 69, Gent.

VERHULST A. 1979-80: De evolutie van het landelijk landschap in Binnen-Vlaanderen tussen de 9de en
de 13de eeuw. In: Jaarboek van de Heemkring Scheldeveld, IX, Sint-Martens-Latem, 53-70.

VERHULST A., 1980. Le paysage rural en Flandre intérieure : son évolution entre le IXème et le XIIème
siècle, Studia Historica Gandensia 238, Gent.

VERHULST A. 1984: L'Histoire rurale de la Belgique jusqu'à la fin de l'Ancien Régime (Aperçu
bibliographique 1968-1983), Revue Historique 271/2, 419-437 = Belgisch Centrum voor Landelijke
Geschiedenis, Publikatie 80, Gent.

VERHULST A., 1992a. III, La diversité du régime domanial entre Loire et Rhin à l’époque carolingienne,
in: VERHULST A. (ed.), Rural and Urban aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 133-148.

VERHULST A., 1992b. V, The “Agricultural Revolution” of the Middle Ages reconsidered, in: VERHULST A.
(ed.), Rural and Urban aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 17-28.

VERHULST A., 1992c. VII, En Basse et Moyenne Belgique pendant le haut moyen âge: différents types
de structure domaniale et agraire. Un essai d’explication, in: VERHULST A. (ed.), Rural and Urban
aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 61-70.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

2018 Project historische dorpskernen pagina 83 van 84

VERHULST A. 1995: Le paysage rural: les structures parcellaires de l’Europe du Nord-Ouest, Typologie
des sources du Moyen Âge Occidental 73, Turnhout.

VERHULST A. 1995: Landschap en landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Brussel.

VERMEIREN G., BRU M.-A. & STEURBAUT P. 2017: Langs Gentse wegen… Een kijk op de vroegstedelijke
ontwikkeling. In: DE GROOTE K. & ERVYNCK A. (red.), Gentse geschiedenissen ofte nieuwe historiën uit de
oudheid der stad en illustere plaatsen omtrent Gent, Gent, 7-22.

VERSCHELDE H. 2016: Bodemonderzoek naar de middeleeuwse burcht van Vijve Deel 1: Het
bodemonderzoek door de Universiteit Gent, West-Vlaamse Archeokrant 89, 6-13.

VREENEGOOR E. 2006: De Kerk van Venloon. Waardestellend archeologisch onderzoek op de
Kerkenakker in Loon op Zand, Rapportage Archeologische Monumentenzorg 137, Amersfoort.

VYNCKIER G. 2017: Een toevalsvondst in de parochiekerk Sint-Monulfus en Gondulfus te Kaulille –
Bocholt (Limburg), Onderzoeksrapporten van het agentschap Onroerend Erfgoed 63, Brussel.

WARLOP E.1968: De Vlaamse adel voor 1300 (I-III), Handzame.

WAUTERS A. 1876: Géographie et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain. Canton
de Tirlemont, deel 2, Brussel.

WILLEMS M., LODEWIJCKX M. & SMEETS M. 2015: Fieldschool 2015. Opvelp Verbranden Toren,
onuitgegeven rapport KU Leuven - Onderzoekseenheid Archeologie, Leuven.

ZADORA-RIO E. 2003: The making of churchyards and parish territories in the Early-Medieval
Landscape of France and England in the 7th -12th centuries: a reconsideration, Medieval Archaeology
47, 1-20.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 84 van 84 Project historische dorpskernen 2018
References (124)
Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Parochiekerk Sint-Antonius Abt met kerkhof [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/41554 (geraadpleegd op 22 maart 2018).
Wauters 1876, 88-98.
Centrale Archeologische Inventaris. 115 CAI-ID 212295. 116 Willems et al. 2015. Figuur 56: Opvelp op de kaart van Ferraris (1771-78), met
van Sint- Baafs-Vijve ̶ in Fivia altare, quod dicitur Sancti Bavonis -̶ dateert uit 1141. Deze kerk behoort tot het patrimonium van de Sint-Maartensabdij van Doornik. De vieringtoren en het transept van het huidige kerkgebouw vertonen nog duidelijk romaanse stijlkenmerken 132 . 131 Warlop 1968.
Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Sint-Baafs-Vijve [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/122145 (geraadpleegd op 20 maart 2018).
BIBLIOGRAFIE ALDERS G. 2007: Middeleeuwse oevermarkten in het Oer-IJ gebied en omgeving. In: LAMMERS Y. (red.), 37ste Reuvensdagen -Samenvatting van de lezingen, Deventer, 11-12.
ANNAERT R. 2000: Het middeleeuwse Oud-Turnhout op het spoor. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op de schop. Een archeologische kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 69-83.
ANNAERT R. & VERBEEK C. 1998: Opnieuw laat-middeleeuwse waterputten te Oud-Turnhout, Taxandria N.R. LXXX, 185-189.
ANNAERT R. & VERVOORT R. 2003: De volmiddeleeuwse bewoningskern te Ouwen-Grobbendonk (Antw.), Archaeologia Mediaevalis 26, 13-15.
ARTS N. 2000: Een verkennend archeologisch onderzoek bij de Sint-Bavokerk te Oud-Turnhout: aanleiding, resultaten en aanbevelingen. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op de schop. Een archeologische kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 63-68.
BENOIT F. 2016: Bodemonderzoek naar de middeleeuwse burcht van Vijve Deel 2: Historiek van de Burcht van Vijve, West-Vlaamse Archeokrant, nr. 89, 14-21.
BERINGS G. 1985: Het oude land aan de rand van het vroegmiddeleeuwse overstromingsgebied van de Noordzee. Landname en grondbezit tijdens de middeleeuwen, Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, n.r. XXXIX, 37-84.
BERINGS G. 1986: Les patronages de saints dans la vallée de l'Escaut. Esquisse d'une méthode de recherche sur la christianisation, Revue du Nord, LXIX, 433-444.
BOGAERTS B. 2006a: Archeologisch proefonderzoek naar het Oratorianenklooster te Scherpenheuvel 2004-2006. In: DEGRYSE H. (red.), Archeologie 2006. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams- Brabant, Leuven, 16-18.
BOGAERTS B. 2006b: Survey archeologisch vooronderzoek. In: LEMMENS B. & VERACHTEN L. (red.), Niet toevallig oratorianen in Scherpenheuvel, tentoonstellingscataloog, Scherpenheuvel, 60-61.
BRANS L. & THIELS C. 1968: Het landje Lummen, van voor 1203 tot 1792, gestencilde uitgave, Lummen.
BRENDERS F. 1973: Edegem: kerk van Buizingen, Archeologie 2, 84.
BRENDERS F. 1974: Archeologisch onderzoek naar de kerk van Buizegem. In: VAN PASSEN R., Geschiedenis van Edegem, Edegem, 984-985.
BUYCK R. 1989: Het stadhuis van Kaprijke, Symbool en hartslag van een boeiend verleden, Appeltjes van het Meetjesland 40, 75-80.
BUYCK R. 2002: Kaprijke. Van middeleeuwse stad tot hedendaags agrarisch dorp (1240-2000), Lembeke. CALLEBAUT D. 1983: De topografische groei van Aalst of hoe een Zelhof een gebastioneerde stad werd. In: Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens, Archaeologia Belgica 255, Brussel, 227-249.
CARNIER M. 1999: De middeleeuwse parochie in het graafschap Vlaanderen tijdens de volle middeleeuwen. Een overzicht, Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming Société d'Emulation te Brugge 136, 3-31.
CLAASSEN A. 1972a: Middeleeuwse burchten. Colloquium te Tongeren -12 september 1970, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren 17, 38-39.
CLAASSEN A. 1972b: Middeleeuwse en Romeinse put te Kaulille, Limburg LI, 164-170.
CONINX I. & CREEMERS G. 1988: IJzertijdbegravingen in een bedreigde zone. In: Een blik terug. Het grafveld "De Roosen" te Neerpelt en de archeologie van Noord-Limburg, tent. cat., 24-25.
COX L., DE CLEER S., VAN REMOORTER O. & VANDEN BORRE J. 2012: Archeologische prospectie met ingreep in de bodem Veurne (Eggewaartskapelle), Knollestraat, BAAC rapport 38, Gent.
CUYT G. 2000: Wijnegem van de vroege ijzertijd tot de middeleeuwen. In: BASTIAENS J. (red.), Zand op de schop. Een archeologische kijk op de Kempen, Oud-Turnhout, 39-48.
CUYT G. 2017 (red.): Wijnegem onder de grond. 50 jaar archeologie in Wijnegem, AVRA-monografie 4, Wijnegem.
CUYT G., ANNAERT R. & WILLEMS J. 2017: Een grote Romeinse boerderij aan de Ruggeveldstraat- Vuurkruisenlaan. In: CUYT G. (red.), Wijnegem onder de grond. 50 jaar archeologie in Wijnegem, AVRA-monografie 4, Wijnegem, 105-111.
DATEMA R.R. 2017a: Herinrichting Charles Wellensplein en Dorpsstraat in Lummen. Een archeologie nota, VEC nota 30, Sint-Michiels-Brugge.
DATEMA R.R. 2017b: Pastoor Frederickxstraat, Lummen. Een Archeologienota, VEC nota 109, Sint- Michiels-Brugge.
DE BOE G. 1985: Het ontstaan en de ontwikkeling van de Romeinse "vicus" te Grobbendonk, Acta Archaeologica Lovaniensia 24, 101-108.
DEBRABANDERE F., DEVOS M., KEMPENEERS M., MENNEN P., RYCKEBOER V., VAN OSTA H. & VAN OSTA W. 2010: De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, Brussel-Leuven.
DE CLERCQ W. 1997: Onbekend is onbemind. De vroege middeleeuwen in het westen en het noordwesten van Oost-Vlaanderen, gezien vanuit archeologisch perspectief, Handelingen van de maatschappij voor geschiedenis en oudheidkunde, nieuwe reeks LI, 21-36.
DE GROOTE K. 2013: De stadswording van Aalst. Of hoe een Merovingische nederzetting uitgroeide tot een laatmiddeleeuwse stad, M&L 32(1), jan.-feb. 2013, 4-32.
DE GROOTE K., MOENS J.& AMEELS V. 2012: Vroegmiddeleeuwse resten van ijzerproductie in de dorpskern van Lemberge (O.-Vl.), Archaelogia Mediaevalis 35, 104-106.
DELARUELLE S., ANNAERT R., VAN GILS R., VAN IMPE L. & VAN DONINCK J. (red.) 2013: Vondsten vertellen. Archeologische parels uit de Antwerpse Kempen, Turnhout.
DE LOGI A., 2015: Merendree -Gerolfsweg. Archeologisch onderzoek -januari tot februari 2014, DL&H- Rapport 16, Deinze.
DE LOGI A., HOORNE J. & VANHERCKE J. 2013: Merendree -Heilige Geeststraat. Archeologisch vooronderzoek -januari 2013, DL&H-Rapport 6, Landegem.
DE LOGI A. & VAN CAUWENBERGH S. 2010: Archeologisch onderzoek Nevele -Merendreedorp. 4 mei tot 25 juni 2010, KLAD-Rapport 20, Aalter.
DE LOGI A. & VAN CAUWENBERGH S. 2011: Middeleeuwse bewoning in de dorpskern van Merendree (Gem. Nevele, prov. O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 34, 51-54.
DE MEULEMEESTER J.1996: Morphogenèse du village médiéval: quelques examples des anciens Pays- Bas méridionaux (Brustem, Borgloon, Tervuren, Luxembourg-ville, Conclusion). In: GABRE G., BOURIN M., CAILLE J. & DEBORD A. (eds), Morphogenèse du village médiéval IXe-XIIe siècles, Cahiers du Patrimoine 46, Montpellier, 33-44.
DE MULDER G., PEDE R. & JACOBS B. 2010: Een urnenveld uit de vroege ijzertijd en een nederzetting uit de late ijzertijd-vroeg-Romeinse periode te Wijnegem/Blikstraat (provincie Antwerpen, België), Lunula. Archaeologia Protohistorica XVIII, 93-99.
DE POTTER F. & BROECKAERT J. 1870-1872 (1973): Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost- Vlaanderen, Arrondissement Eeklo, tweede deel Kaprijk, Kluizen, St.-Laureins, Lembeke, Maldegem, Ste-Margriete, Gent.
DE RAYMAEKER A. & DOCKX C. 2016: Archeologienota: Het archeologisch bureauonderzoek aan de Wijngaardstraat te Lummen, Studiebureau Archeologie, Kessel-lo.
DE SWAEF W . 1986: Vondsten uit de Romeinse en Merovingische periode te Erondegem, Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, XXVI-1, 6-8.
DE VOS A. 1978: Op verkenning door Kaprijke, Ons Meetjesland 11, 19-24, 77-83 en 105-115.
DEVOS P. 1982: De gemeentehuizen van Oost-Vlaanderen, Band 1, Inventaris van het kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen, XVI-XVII, Gent, 491-496.
DEVILLE T., VAN DE VELDE E. & HOUBRECHTS S. 2011: Wachthaven te Wijnegem (gem. Wijnegem), Definitief archeologisch onderzoek, Condor Rapport 14, Bilzen.
DEVROE A. & CLAESEN J. 2012: Archeologische prospectie met ingreep in de bodem. Wijnegem- Merksemsebaan, Archebo-rapport 2012-12, Kortenaken.
ENGELS A. & VAN IMPE L. 1985: Het urnenveld op de Dorperheide te Kaulille, Archaeologica Belgica I, 2, 33-35.
ENGELS A. & VAN IMPE L. 1984: Grafveld uit de ijzertijd te Kaulille (Bocholt), Archaeologia Belgica 258, Brussel. GABRE G., BOURIN M., CAILLE J. & DEBORD A.(eds) 1996: Morphogenèse du village médiéval IXe-XIIe siècles, Cahiers du Patrimoine 46, Montpellier.
GAUTHIEZ B., ZADORA-RIO E. & GALINIÉ H. 2003: Village et ville au Moyen Age: les dynamiques morphologiques, Collection perspectives Villes et Territoires 5/1, Tours.
GYSSELING M. 1960: Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en
West-Duitsland (vóór 1226). Digitale editie op http://www.wulfila.be/tw, Universiteit Antwerpen 2006. GYSSELING M. & VERHULST A. 1969: Nederzettingsnamen en nederzettingsgeschiedenis in de Nederlanden, Noord-Frankrijk en Noord-West-Duitsland, Taalgrens en kolonisatie 4, Leuven.
HOEBROEKS M. & WESEMAEL E. 2017: Nota Lummen -Meerlestraat Bouw van appartementen. Deel 1: Verslag van de resultaten, Aron Rapport 375, Tongeren.
HOLLEVOET Y. 2003: Vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen nabij de Zandstraat te Ettelgem (stad Oudenburg, prov. West-Vlaanderen), Archeologie in Vlaanderen VII -1999/2000, Zellik, 83-94
HOOGHE F. 2006: Van Baceroth tot Baasrode en Sint-Amands: evolutie van een Karolingisch domein (8ste-15de eeuw), Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, vierde reeks, deel 25, Jaarboek 2006, Dendermonde, 7-156.
HOORNE J. & HEYNSSENS N. 2014: Lemberge -Burgemeester Maenhautstraat. Archeologisch vooronderzoek -maart 2014, DL&H-Rapport 14, Deinze.
HUYGHEBAERT N. 1960: Prieuré de Notre Dame à Eggewaartskapelle, Monasticon Belge III, deel 1, 202-
JANSSENS P. 1964: Het Merovingisch grafveld van Grobbendonk, Hades 3(7-8), 49-96.
JANSSENS P. 1966a: Het Gallo-Romeins grafveldje van Grobbendonk, Noordgouw 6, 53-71.
JANSSENS P. 1966b: Een Gallo-Romeinse grafurn uit Grobbendonk, Hades 15(5), 31-32.
JOLY S., CHIMIER J.-P. & FOURNIER L. 2014: L'archéologie dans le village: quelques exemples récents d'opérations préventives en Val de Loir, Archéopages 40, 78-83.
LEMMENS B. & VERACHTEN L. (red.) 2006: Niet toevallig oratorianen in Scherpenheuvel, tentoonstellingscataloog, Scherpenheuvel.
LEENDERS K.A.H.W. 1996: Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings-en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas-Schelde-Demergebied (400-1350). Een poging tot synthese, Zutphen.
MAHÉ-HOURLIER N. & POIGNANT S. (eds) 2013: Archéologie du village. Archéologie dans le village dans le nord de la France (5e-13e siècle), Mémoires publiés par l'Association française d'Archéologie mérovingienne 29, Saint-Germain-en-Laye.
MERTENS J. 1976: Tombes mérovingiennes et églises chrétiennes. Arlon, Grobbendonk, Landen, Waha, Archaeologia Belgica 187, Bruxelles.
MERTENS J., VAN IMPE L. & VANDERPIJPEN W. 1977: Het middeleeuws kerkhof van Ouwen, Conspectus 1976, Archaeologia Belgica 196, Brussel, 68-72.
MILIS L. 1981: Kerstening en kerkelijke instellingen tot circa 1070. In: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 1, Haarlem, 266-285.
MOENS J., AMEELS V. & DE GROOTE K. 2011: Archeologisch noodonderzoek naar het voormalige Hof van Peene te Baasrode (Prov. O.-Vl.), Relicta 8, 47-82.
MOENS J., DE GROOTE K. & AMEELS V. 2017: Romeinse en vroegmiddeleeuwse sporen in de dorpskern van Lemberge (Prov. Oost-Vlaanderen). Rapportage van de opgraving van een toevalsvondst (18 -25 juli & 13 -19 september 2011), Onderzoeksrapporten agentschap Onroerend Erfgoed 76, Brussel. MUIR R.1992: The villages of England, London.
MUIR R. 2004: Landscape Encyclopedia. A Reference to the Historic Landscape, London.
PACQUAY J. 1936: Lummen, Limburg 17, 210-213.
PATROUILLE E. & VANHOUTTE S. 2002: Vroegmiddeleeuwse aanwezigheid onder de speelplaats in Ettelgem (Oudenburg, W.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis, 31-32.
PEDE R., JACOBS B. & DE MULDER G. 2011: Preventief archeologisch onderzoek langs de Blikstraat te Wijnegem tijdens 2007-2009: overzicht van de resultaten uit de ijzertijd, AVRA Bulletin 11, 21-28.
PÉRIN P. 2004: The origin of the village in early medieval Gaul. In: CHRISTIE N. (ed.), Landscapes of change. Rural evolutions in late Antiquity and the Early Middle Ages, Aldershot-Burlington, 255-278.
REYNS N. & BRUGGEMAN J. 2015: Bureaustudie. Archeologisch onderzoek zonder ingreep in de bodem. Grobbendonk-Nijverheidsstraat-Vorselaarse baan (McCain Foods Belgium),Rapporten van het archeologisch onderzoeksbureau All-Archeo bvba 286, Temse.
ROBERTS B.K. 1996: Landscapes of Settlement. Prehistory to Present, London.
SCHEERS S. 1996: Les statères bifaces du type Lummen-Niederzier, un monnayage Eburon antérieur à la conquête Romaine. In: LODEWIJCKX M. (ed.), Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Leuven, 87-94.
SCHLUSMANS F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree -Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel -Turnhout.
SLOFSTRA J., VAN REGTEREN ALTENA H.H., & THEUWS F.(eds) 1985: Het Kempenproject 2 een regionaal- archeologisch onderzoek in uitvoering, Bijdragen tot de studie van het Brabantse Heem 27, Waalre.
STAELENS, G. 2009: Landbouwbedrijven uit de Vroege en volle middeleeuwen in het westelijk deel van Binnen-Vlaanderen, Jaarboek Spanhiers 2008, 197-258.
STRIJBOS H. 1994: De middeleeuwse kerktoren van Kaulille, De Klaveren Heer 3(4), 5-23.
TERMOTE J. 2011a: Cultuurhistorische atlas van de Westhoekdorpen. Een historisch-topografisch onderzoek van de dorpen in de Franse en Vlaamse Westhoek, Studie in opdracht van de Provincie West-Vlaanderen, onuitgegeven rapport (herziene versie 2013), s.l.. https://www.west- vlaanderen.be/overwvl/beleid_bestuur/gebiedsgerichte_werking/streekhuizen/streekhuis_esenkast eel/documents/dorpenatlas%202013.pdf
TERMOTE J. 2011b: De bedijkingshistoriek van de IJzer-en de Handzamevallei. In: ZWAENEPOEL A. & VERHAEGHE F. (red.), De broeken van de IJzer-en Handzamevallei, Hoeilaart, 17-32.
THEUWS F. 1989: Middeleeuwse parochiecentra in de Kempen 1000-1350. In: VERHOEVEN A. & THEUWS F. (eds), Het Kempenproject 3. De middeleeuwen centraal, Bijdragen tot de studie van het Brabantse Heem 33, Waalre, 97-216.
THEUWS F. 2011: De nederzettingsontwikkeling in de Middeleeuwen: een model en enige thema's voor toekomstig onderzoek. In: THEUWS F. & VAN DER HEYDEN 2011: De archeologie van de Brabantse akkers. Toegelicht aan de hand van het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam in Veldhoven, Themata 4, Amsterdam, 60-77.
THEUWS F. 2018: Rural cemeteries, cult places and community identities in the Central Middle Ages in the Kempen regio (southern Netherlands). In: VAN OOSTEN R.M.R., SCHATS R., FAST K., ARTS N. & BOUWMEESTER H.M.P. (eds), The urban graveyard. Archaeological perspectives, Urban Graveyards Proceedings 2, Leiden, 219-238.
TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', VUB -SKAR-Rapport 5, Brussel.
ULENS R. 1930: Lummen, Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire du Limbourg 44, 194-198.
VANDEGEHUCHTE C., FEXER C., SMEETS, M. & VANSWEEVELT, J. 2008: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de verkaveling Bierkensveld te Kaulille (gem. Bocholt), Studiebureau Monumentenzorg, Tessenderlo. VANDENBERGHE S. & ASHTON-VANHERLE L. 1982: Onderzoek van laat-middeleeuwse waterputten te Oud- Turnhout. In: Conspectus 1981, Archaeologia Belgica 247, Brussel, 141-145.
VAN DEN DORPEL A. & BEKE F. 2018: Een Merovingisch erf met resten van een verbrande voedselvoorraad op een kouter van de Scheldevallei. Archeologische opgraving te Lemberge- Merelbeke (O.-Vl.), Archaeologia Mediaevalis 41, 204-210.
VANDEPUTTE O. (ed.) 2007: Gids voor Vlaanderen. Toeristische en culturele gids voor alle steden en dorpen in Vlaanderen, Tielt.
VANDER SANDEN T. 1992: De kerk van Kaulille, De Klaveren Heer 1(2), 6-18.
VANDEVELDE J. & ANNAERT R. 2006: Archeologisch onderzoek Edegem-Buizegem 2005-2006, Intern Rapport VIOE, Brussel.
VANDEVELDE J., ANNAERT R., LENTACKER A., ERVYNCK A. & VANDENBRUAENE M. 2007: Vierduizend jaar bewoning en begraving in Edegem-Buizegem (prov. Antwerpen), Relicta 3, 9-68.
VANDEWALLE P. 2015: Patroonheiligen van de parochiekerken in het Graafschap Vlaanderen op het einde van het Ancien Régime, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge 152 (1), 175-186.
VANGERVEN J. 2000: Een nieuw tipje van de sluier over "de kerkhistorie van de parochies Kaulille, Hamont, Lille en Achel" opgelicht (deel 2), De Klaveren Heer 9, 4. VANHEE D. & HOORNE J. 2005: Een volmiddeleeuwse hoeve met explosieve verrassing in de Molenkouterslag, Monumentenzorg en cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost- Vlaanderen, 180-181.
VANHOVE L. 1983: Opvelp: de agrarische structuur van een dorp en heerlijkheid toegelicht aan de hand van een pachtcontract uit 1496, Belgisch centrum voor landelijke geschiedenis 77, Leuven.
VAN IMPE L. 1977: Sporen van oude akkersystemen in de Limburgse Kempen, Brabantse Oudheden 16, 101-109. VAN PASSEN R. 1974: Geschiedenis van Edegem, Edegem.
VERBEECK H. 2010: Het oostelijk Gallo-Romeins grafveld te Grobbendonk (prov. Antwerpen), Relicta 6, 9-40.
VERBESSELT J. 1950-2001: De wording van de Parochiën. Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw. Geschied-en oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant, 27 delen, Brussel.
VERHOEVE A. 1988: Het landschap van het meetjesland historisch bekeken, Werkgemeenschap landschapsecologisch onderzoek, afdeling Vlaanderen, Laboratorium voor regionale geografie en landschapskunde, RUG, Gent.
VERHOEVE A. & VERBRUGGEN C. 2006: Het Meetjesland. Bodem en landschap in historisch perspectief, Belgeo 2006/3, 206-218.
VERHOEVEN A. & THEUWS F. (eds) 1989: Het Kempenproject 3. De middeleeuwen centraal, Bijdragen tot de studie van het Brabantse Heem 33, Waalre.
VERHULST A. 1964: Het landschap in Vlaanderen in historisch perspectief, Antwerpen.
VERHULST A. 1967. Note pour servir à l'étude archéologique des villages désertés en Belgique, Studia Historica Gandensia 69, Gent.
VERHULST A. 1979-80: De evolutie van het landelijk landschap in Binnen-Vlaanderen tussen de 9de en de 13de eeuw. In: Jaarboek van de Heemkring Scheldeveld, IX, Sint-Martens-Latem, 53-70.
VERHULST A., 1980. Le paysage rural en Flandre intérieure : son évolution entre le IXème et le XIIème siècle, Studia Historica Gandensia 238, Gent.
VERHULST A. 1984: L'Histoire rurale de la Belgique jusqu'à la fin de l'Ancien Régime (Aperçu bibliographique 1968-1983), Revue Historique 271/2, 419-437 = Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, Publikatie 80, Gent.
VERHULST A., 1992a. III, La diversité du régime domanial entre Loire et Rhin à l'époque carolingienne, in: VERHULST A. (ed.), Rural and Urban aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 133-148.
VERHULST A., 1992b. V, The "Agricultural Revolution" of the Middle Ages reconsidered, in: VERHULST A. (ed.), Rural and Urban aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 17-28.
VERHULST A., 1992c. VII, En Basse et Moyenne Belgique pendant le haut moyen âge: différents types de structure domaniale et agraire. Un essai d'explication, in: VERHULST A. (ed.), Rural and Urban aspects of Early Medieval Europe, Aldershot, 61-70.
VERHULST A. 1995: Le paysage rural: les structures parcellaires de l'Europe du Nord-Ouest, Typologie des sources du Moyen Âge Occidental 73, Turnhout.
VERHULST A. 1995: Landschap en landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Brussel.
VERMEIREN G., BRU M.-A. & STEURBAUT P. 2017: Langs Gentse wegen… Een kijk op de vroegstedelijke ontwikkeling. In: DE GROOTE K. & ERVYNCK A. (red.), Gentse geschiedenissen ofte nieuwe historiën uit de oudheid der stad en illustere plaatsen omtrent Gent, Gent, 7-22.
VERSCHELDE H. 2016: Bodemonderzoek naar de middeleeuwse burcht van Vijve Deel 1: Het bodemonderzoek door de Universiteit Gent, West-Vlaamse Archeokrant 89, 6-13.
VREENEGOOR E. 2006: De Kerk van Venloon. Waardestellend archeologisch onderzoek op de Kerkenakker in Loon op Zand, Rapportage Archeologische Monumentenzorg 137, Amersfoort.
VYNCKIER G. 2017: Een toevalsvondst in de parochiekerk Sint-Monulfus en Gondulfus te Kaulille - Bocholt (Limburg), Onderzoeksrapporten van het agentschap Onroerend Erfgoed 63, Brussel.
WARLOP E.1968: De Vlaamse adel voor 1300 (I-III), Handzame.
WAUTERS A. 1876: Géographie et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain. Canton de Tirlemont, deel 2, Brussel.
WILLEMS M., LODEWIJCKX M. & SMEETS M. 2015: Fieldschool 2015. Opvelp Verbranden Toren, onuitgegeven rapport KU Leuven -Onderzoekseenheid Archeologie, Leuven.
ZADORA-RIO E. 2003: The making of churchyards and parish territories in the Early-Medieval Landscape of France and England in the 7th -12th centuries: a reconsideration, Medieval Archaeology 47, 1-20.
March 12, 2023
Koen De Groote
Flemish Heritage Institute, Department Member
Papers
133
Followers
352
View all papers from
Koen De Groote
arrow_forward
Related papers
Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 1 Veld 3. Archeologisch vooronderzoek - september 2012
Adelheid De Logi
2012
Niets uit deze publicatie mag vermenigvuldigd worden, opgeslagen in geautomatiseerde gegevensbestanden en/of openbaar gemaakt worden onder enige vorm of wijze ook (digitaal, mechanisch, door fotokopie) zonder toestemming van De Logi & Hoorne bvba
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Twee vindplaatsen uit de Prehistorie binnen het plangebied Vierslag te Elst, gemeente Overbetuwe
Eric Norde
2013
Binnen de nieuwbouwwijk Westeraam in Elst, gemeente Overbetuwe, zal binnenkort het laatste deelgebied (Vierslag, voorheen de Krekenbuurt geheten), worden ontwikkeld. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de kans groot is dat er in dit plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Om die reden is in 2010 binnen het plangebied een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek zijn in het plangebied in twee fasen in totaal 98 proefsleuven gegraven. Het doel hiervan was om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Hoewel voorafgaand booronderzoek geen archeologische resten had aangetoond, werden, op basis van de landschappelijke ligging van het plangebied en vondsten uit de omgeving, sporen verwacht van kleine, prehistorische vindplaatsen. Deze blijken inderdaad aanwezig te zijn. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn bewoningssporen aangetroffen die op grond van het aardewerk en een 14C-datering in de Late Bronstijd gedateerd worden. Op een niveau onder deze resten is een tweede archeologisch sporenniveau gevonden waarvan de datering nog onzeker is. Gezien het feit dat de sporen zich op een dieper niveau bevinden, moet de datering in ieder geval ouder zijn dan Late Bronstijd. Er is dus sprake van twee stratigrafisch gescheiden vindplaatsen. De oudste vindplaats (vindplaats 2) bevindt zich op een diepte tussen 1en 1,6 m -Mv. Vindplaats 2 wordt afgedekt door een pakket oever- en komafzettingen. Deze afdekking heeft ervoor gezorgd dat de vindplaats zeer goed bewaard is gebleven. De jongste vindplaats (vindplaats 1) ligt op een diepte tussen 0,5 en 1 m -Mv. Ook deze vindplaats is gaaf bewaard gebleven. Sporen van beide vindplaatsen zijn verspreid over diverse proefsleuven aangetroffen, waarbij het niet geheel duidelijk is of de vindplaatsen een aaneengesloten geheel vormen of dat er sprake is van verschillende kleinere vindplaatsen. Naast de diverse prehistorische resten zijn drie brede greppels uit de Romeinse tijd gevonden. Deze horen mogelijk bij bewoning buiten het plangebied en zijn dus niet direct aan een vindplaats binnen het plangebied te koppelen
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Destelbergen - Panhuisstraat. Archeologisch onderzoek - 2011
Adelheid De Logi
2013
Niets uit deze publicatie mag vermenigvuldigd worden, opgeslagen in geautomatiseerde gegevensbestanden en/of openbaar gemaakt worden onder enige vorm of wijze ook (digitaal, mechanisch, door fotokopie) zonder toestemming van De Logi & Hoorne bvba Figuur 9: De verschillende opgravingszones geprojecteerd op een uittreksel van de topografische kaart (© www.gisoost.be
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 2 Veld 7 Wegkoffer. Archeologisch onderzoek - september tot oktober 2013
Adelheid De Logi
2014
Verwachting: kuilen uit de metaaltijden en vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen Resultaten: kuilen en paalsporen uit de metaaltijden, twee Romeinse brandrestengraven, nederzettingssporen uit de vroege middeleeuwen, vroegmoderne greppels en recente verstoringen
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 2 Veld 12W. Archeologisch vooronderzoek - Augustus 2012
Adelheid De Logi
2012
Niets uit deze publicatie mag vermenigvuldigd worden, opgeslagen in geautomatiseerde gegevensbestanden en/of openbaar gemaakt worden onder enige vorm of wijze ook (digitaal, mechanisch, door fotokopie) zonder toestemming van De Logi & Hoorne bvba
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Archeologisch vooronderzoek Waregem -Grasdreef 2 tot 3 november 2010
Adelheid De Logi
2010
Download free PDF
View PDF
chevron_right
Related topics
Art
Explore
Papers
Topics
Features
Mentions
Analytics
PDF Packages
Advanced Search
Search Alerts
Journals
Academia.edu Journals
My submissions
Reviewer Hub
Why publish with us
Testimonials
Company
About
Careers
Press
Content Policy
580 California St., Suite 400
San Francisco, CA, 94104